Hart

Psalm 27:8

„Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o Heere!” Het verstand vat ook de staat en de toestand van de ziel anders op dan het gewoon was te doen, zoals wij vinden dat de vromen meestal spreken in de Schrift: „O mijn ziel, gij hebt tot de Heere gezegd” (Psalm 16:2). „Mijn hart heeft gezegd: ik zal Uw aangezicht zoeken” (Psalm 27:8). „Wat buigt gij u neder, o mijn ziel!” (Psalm 42:6; Psalm 43:5). „Mijn ziel, keer weder tot uw rust” (Psalm 116:7).

Het hart en de genegenheden of hartstochten worden vernieuwd. Van het hart wordt een nieuw, vlezen hart gemaakt, geschikt om indrukken te verkrijgen waarin een afschrift van Gods wet geschreven is en de vreze gesteld is, zodat de plicht hem enigszins natuurlijk wordt en met zijn lust overeenkomt (Jeremia 32:39-40; Ezechiël 36:26). Terwijl het tevoren een stenen hart was, zonder enige vreze Gods.

Ook worden nu de genegenheden of hartstochten vernieuwd. Zo wordt de liefde in een goede mate vernieuwd. Zij gaat nu uit naar God: „Heere, hartelijk heb ik U lief” (Psalm 18:2). Evenals naar Zijn wet: „O, hoe lief heb ik Uw wet” (Psalm 119:97).

En dan naar hen die Gods beeld in zich hebben (Johannes 13:35; 1 Johannes 3:14). Deze liefde tot Gods volk steunt op een zuiver inzicht, namelijk voor zover zij kinderen Gods zijn en Zijn geboden onderhouden (1 Petrus 1:22). Het is een liefde uit een zuiver hart (Psalm 119:163).

William Guthrie, predikant te Fenwick (”Des christens grote interest”, 1668)