Gods oordeel

Jesaja 28:17

„En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.”

Het beeld, in het eerste gedeelte van onze tekst gebruikt, is genomen van het werk van metselaars en timmerlieden, die hun meetsnoer en paslood gebruiken wanneer zij iets juist en nauwkeurig willen vervaardigen. Deze woorden geven te kennen een strengheid zonder te sparen: „Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood. Ik zal met u, o huichelaars, met u, goddelozen en spotters, handelen naar het meetsnoer van Mijn rechtvaardigheid, zonder enige barmhartigheid.”

„Zie”, zegt de Heere elders, „Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël, Ik zal het voortaan niet meer voorbij gaan; maar Izaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen zullen verstrooid worden” (Amos 7:8-9). De vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal verstoten en verlaten worden, zoals een woestijn; daar zullen de kalveren weiden, daar zullen zij neerliggen en zullen haar takken verslinden. Als haar takken verdord zullen zijn, zullen ze afgebroken worden, en de vrouwen die komen, zullen ze aansteken. Want het is geen volk van enig verstand, daarom zal Hij Die het gemaakt heeft Zich daarover niet ontfermen, en Die het geformeerd heeft zal daaraan geen genade bewijzen (Jesaja 27).

Ds. G. F. Gezelle Meerburg, predikant te Almkerk (”Levenslessen, preek over Jesaja 28:15-18”, 1848)