Gods koffers

Mattheüs 7:7

„Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.”

Men heeft van de paus gezegd dat hij nooit geldgebrek kan hebben zo lang hij een pen kan vasthouden. Met het schrijven van pardonbrieven en aflaten vult hij zijn koffers. Zo kunnen wij van iedere ware christen zeggen dat hij nooit gebrek kan hebben zo lang hij kan aanhouden om tot God te bidden. Het gebed is een sleutel van Gods koffers, waarin oneindige schatten en alle soorten van vertroostingen zijn. Indien u een biddend hart hebt, zal God een helpende hand hebben. Het is maar: Bidt en gij zult ontvangen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden. Het heeft God behaagd deze plicht te bevelen, niet alleen wegens Zijn heerschappij over ons en tot Zijn eer, maar ook omdat Hij medelijden met ons heeft en tot ons welzijn, opdat er door het gebed, evenals bij mensen die ver van elkaar af wonen door brieven, een voortdurend en onafgebroken verkeer en omgang tussen de hemel en de aarde zou zijn. Met dit doel eist Hij dat wij zullen volharden in het gebed. Zo kom ik nu tot de aard van het gebed.

Ralph Erskine, predikant te Dunfermline (”Veertien preken over het gebed”, 1865)