Gods genade genoeg

Deuteronomium 13:3

„Gij zult naar de woorden van die profeet of naar die droomdromer niet horen; want de Heere uw God verzoekt u, om te weten of gij de Heere uw God liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel.”

De verzoeking is óf menselijk, óf duivels, óf goddelijk, zoals God de verzoekingen van de duivel, de wereld en het vlees toelaat en bestuurt. „Doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen” (1 Korinthe 10:13). „En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht” (2 Korinthe 12:7-9, zie ook: 2 Sam. 24:1 met 1 Kronieken 21:1). Ook verzoekt God zo, dat Hij het gevoel van Zijn vertroostende genade en van Zijn Vaderlijke gunst onttrekt, hetwelk op een bijzondere wijze geestelijke verlating genoemd wordt. En van deze geestelijke verlatingen hebben wij nu voorgenomen te handelen.

Gisbertus Voetius, hoogleraar in Utrecht

(”De geestelijke verlatingen”, 1646)