Gods erfdeel

Zacharia 2:12

„Dan zal de Heere Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.”

Het behaagt de Heere om Juda Zijn deel te noemen. Hij zal het erfelijk bezitten in het heilige land. Geen enkele plaats is van oorsprong onheilig, maar de oorzaak ligt in de onreine werken van een volk. Dit zien wij in Psalm 102:20-21: „Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de Heere uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben; om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods.” Met welk doel maakte Hij deze gevangenen los? Dat lezen wij in het volgende vers: „Opdat men de Naam des Heeren vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem.” Dit blijkt ook in Psalm 99:2: „De Heere is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.”

De profeet zegt hiermee dat de inwoners van Sion de Heere hoog hebben verheven boven alle mensen of boven de lof van alle mensen. Ja, zelfs zo dat de Heere in hun hart heerst. Zo lezen wij dat ook in Zacharia 2:13: „Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des Heeren! Want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.” Als de Heere ontwaakt is uit Zijn heilige woning, gaat Hij uit om te overwinnen en te onderwerpen en alle vlees tot zwijgen te brengen.

Thomas Watson, predikant te Londen (”Uitleg van Psalm 137:3-6”, 1661)