Goddelijke genade

Mattheüs 25:6

„En te middernacht geschiedde een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit, hem tegemoet!”

Geen werk kan voor de mens smakelijk en dienstig zijn als het niet opschiet uit deze twijg. Deze twijg van Gods genade, die de mens welgevallig maakt in Gods ogen en waarmee men ook het eeuwige leven verwerft, wordt alle mensen aangeboden, maar zij wordt niet op alle mensen geënt. Want velen willen het wilde hout van hun boom niet afsnijden – dat is het ongeloof of een verkeerde, ongehoorzame wil tegen God. Maar wil die twijg van de goddelijke genade in onze ziel geënt worden, dan is daartoe nodig de genade die een vrijwillig naar God toegekeerde wil en de zuivering van geweten geeft. Welnu, die voorkomende genade beweegt mensen: omdat God ze geeft. Maar niet alle mensen beantwoorden ze met een vrije toekeer en een zuiver geweten en daarom blijven zij van de genade Gods verstoken waarmee zij eeuwig leven zouden verkrijgen.

Die voorkomende genade raakt de mens ofwel langs buiten aan ofwel van binnenuit. Van buitenaf: door ziekte en door het verlies van fortuin, van familieleden of van vrienden, of door een openbare beschaming. Het kan ook zijn door predikatie, goede voorbeelden van mensen, door hun woorden of door hun werken, zodat men tot zelfkennis komt. Dat is Gods aanraken van buitenaf. Soms wordt de mens ook aangeraakt van binnenuit, bij het overwegen van het lijden van onze Heere.

Jan van Ruusbroeck, kapelaan te Brussel (”Die geestelike brulocht”, 1335)