God zien

Johannes 3:3

„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”

Het is de stijl van Gods Geest, zowel in de Schriften van het Oude als van het Nieuwe Testament, om iets te zien, iets te genieten, te bezitten, te hebben en uit te drukken. Zo zal David zeggen (Psalm 34:13): „Wie is de man die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft om het goede te zien?” En Christus (Mattheüs 5:8): „Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.”

Zien is daar genieten, hebben, bezitten. Zo is dan hier de zin: als iemand niet wederom geboren is, kan hij die zalige staat van een onderdaan van Christus’ Koninkrijk te zijn, niet deelachtig zijn. Hij kan die voorrechten ook niet genieten, niet bezitten, en niet ingaan in die zalige staat. Daar krijgt men alleen maar deel aan door de wedergeboorte. Dit Koninkrijk van God ziet, geniet en ontvangt de wedergeborene, en gaat daarin. In dit leven op aarde opent God door Zijn Geest dat hart niet alleen –zoals dat van Lydia (Hand. 16:14)– wanneer de mens het Woord van het Evangelie of het Woord des Koninkrijks (Mattheüs 13:19) in zijn hart ontvangt; Hij maakt dat Woord ook in het hart werkzaam.

Nicolaas Simons van Leeuwarden, lekentheoloog te Amsterdam

(”De wedergeboren christen”, 1718)