Gezegende geslachten

Genesis 6:9b-10

„Noach wandelde met God. En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.”

Gods volk wordt in het algemeen, en sommige heiligen in het bijzonder, hogelijk geroemd om hun deugd en godzaligheid. Een ieder in iets bijzonders: Job, dat hij oprecht en vroom was, wijkende van het kwade. Mozes, dat God Zichzelf aan hem openbaarde, en meer dan alle mensen zachtmoedig en getrouw was in heel Gods huis. Abraham van zijn groot geloof; Jozua en Kaleb, dat zij volhard hadden God na te volgen. David, dat hij een man naar Gods hart was. Zacharia en Elizabeth, dat zij onberispelijk waren, wandelende in alle de geboden en rechten des Heeren.

Maar juist van Henoch en Noach staat zo bijzonder: „Zij wandelden met God.” Wij denken terecht dat zij hierin boven allen hebben uitgemunt. En dan maken wij er dat begrip van dat zij, met veel anderen van Gods heiligen, in een nauwkeurige en tedere godzaligheid en onderhouding van Gods geboden geleefd hebben. Maar dat zij boven anderen het meest uitgemunt hebben, in nauwe gemeenschap met God, in het gehele verloop van hun leven.

Het is opmerkelijk dat aan Henoch en Noach dit getuigenis gevoegd wordt, dat zij zonen en dochters gewinnen. Zo zegt Mozes van Henoch (Genesis 5:22): „Henoch wandelde met God (...) en hij gewon zonen en dochteren.” Zo ook hier: „Noach wandelde met God en gewon Sem, Cham en Jafeth.”

Johannes Groenewegen, predikant te Werkendam (”Verzameling van veertien preken”, 1766)