Geweten

Psalm 143:2

„En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.”

De zonde hangt om de nek van hem die haar begaan heeft. Inderdaad, zij bedekt hem als een kleed. De tegenstander is onverschrokken, listig, onbeschaamd, en kan duizenden van ons in minder dan een half uur tot zwijgen brengen. Wat zou de zondaar toch wel voor die rechtbank kunnen doen, indien hij er komen kon, om voor zichzelf te pleiten? Letterlijk niets, niets tot zijn eigen voordeel.

Maar nu is dit tot zijn voordeel: hij heeft een Voorspraak om zijn zaak te bepleiten. „Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.” De apostel veronderstelt ook in de tekst, dat de christenen er vatbaar voor zijn om, wanneer zij gezondigd hebben, te vergeten dat zij een Voorspraak bij de Vader hebben. Daarom staat dit geschreven om in hun geheugen in te prenten, dat, „indien iemand gezondigd heeft” –laat hij zich herinneren– „wij hebben een Voorspraak.” Aan alle andere dingen kunnen wij genoeg denken –namelijk, dat God een rechtvaardig Rechter is, dat de wet volkomen heilig is, dat mijn zonde een verschrikkelijk en afschuwelijk ding is en dat ik zeker daarvan door de satan beschuldigd word voor God. Ik zeg, aan deze dingen denken wij spoedig en wij vergeten ze niet. Ons geweten brengt die in ons geheugen, onze schuld herinnert ons aan deze dingen, de duivel herinnert ons eraan.

John Bunyan, voorganger te Bedford

(”Preek over 1 Johannes 2:1”, 1885)