Genade

Genesis 6:8

„Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren.”

Van Noach wordt dit grote getuigenis gegeven: „Noach vond genade in de ogen des Heeren.” Noach was een rechtvaardig en oprecht man in zijn geslacht. Noach wandelde met God (vers 9). „Ik heb u gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht”, zegt God (Genesis 7:1).

Noach was een groot leraar in zijn tijd, die zijn tijdgenoten de weg des levens leerde. Hij was een prediker der gerechtigheid, zegt Petrus. Of Noach door een plechtige orde of goddelijke instelling onder zijn geslacht tot een profeet en leraar, tot een priester gesteld was om te offeren, en in de ambtelijke godsdienst een voorganger was, dat is niet van alle waarschijnlijkheid beroofd; wij willen het graag geloven.

Noach is bijzonder bekend in de wereld geworden door de watervloed, waarin God hem niet alleen met zijn huisgezin heeft bewaard, maar dus tot de stamvader van het overige mensdom gemaakt heeft. Maar, wat wij van hem inzonderheid te beschouwen hebben, is dat hij met God wandelde. Te luisterijker zal dit getuigenis, dat Mozes ons van Noach geeft, ons voorkomen, als wij opmerken, dat het reeds van de vroegere tijd gezegd wordt, voordat hij zijn zonen gewon, of vijfhonderd jaar voor de vloed: „Noach wandelt met God.” Dit getuigenis wordt gegeven van Henoch, die zonder de dood te zien naar de hemel voer, en van onze Noach, die in het algemeen verderf bewaard werd.

Johannes Groenewegen,
predikant te Werkendam

(”Verzameling van veertien preken”, 1766)