Genade

Mattheüs 25:6

„En te middernacht geschiedde een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit, hem tegemoet!”

Soms wordt de mens van binnenuit geraakt door het goed dat God hem en alle andere mensen gedaan heeft. Of door de beschouwing van zijn zonden of de kortheid van het leven, door de vrees voor de dood en voor de hel, door het beschouwen van de eeuwige pijnen van de hel of van de eeuwige vreugde van de hemel, of omdat God hem gespaard heeft in zijn zonden en gewacht heeft op zijn bekering. Of hij beschouwt al het wonderbare dat God geschapen heeft in hemel en aarde in al zijn schepselen. Dit zijn allemaal werken van genade die de mens van buitenaf of van binnenuit op velerlei wijze bewegen. Met al deze punten raakt God de mensen aan al naargelang zij het nodig hebben, ieder naar zijn eigen behoeften. Met het gevolg dat de mens hierdoor soms geslagen wordt, vermaand en tot vrees en schrik bewogen, en zodoende wordt stilgezet om op zichzelf te letten. Zó bereidt die genade ons voor om de andere genade te ontvangen, waarmee men het eeuwige leven verkrijgt. Wanneer de ziel zich aldus van alle kwade wil en slechte werken heeft ontledigd, zich in haar geweten aangeklaagd en geslagen voelt, en zich met vrees afvraagt wat zij doen moet, en acht geeft op God, op zichzelf en op haar kwade werken, dan ontstaat hieruit een natuurlijk leedwezen over haar zonden.

Jan van Ruusbroeck, kapelaan te Brussel (”Die geestelike brulocht”, 1335)