Geloofsbeproeving

Hooglied 5:3

„Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen?”

Er zijn beproevingen waaraan Gods kinderen in het bijzonder onderworpen zijn als hun Vader Zijn aangezicht voor hen verbergt. Hij laat hun niet meer zien wat Hij voor hen heeft gedaan, hoewel Zijn liefde voor hen even groot kan zijn als altijd. Zulke mensen worden getroffen en teleurgesteld in hun verwachtingen. God verborg Zichzelf echter nooit zo lang dat men denkt dat God tevergeefs gediend wordt. In de beproeving toonde Hij dat Hij een liefhebbend en toegenegen God is. Salomo zegt dit, als hij spreekt over de Heere Die van de kerk wijkt vanwege haar hoge gedachten over haar eigengerechtigheid: „Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen?” (Hooglied 5:3). De Bruid voelde zichzelf heel onbekommerd en schoon, ja, te schoon om haar Liefste te ontvangen. Zijn roepstemmen waren dus zo onduidelijk voor haar dat zij ze niet recht verstond. Hoewel Zijn stem de stem van haar Liefste scheen te zijn, kon ze toch niet denken aan de druppels die aan Zijn haarlokken hingen. Ze was te schoon om Hem te ontvangen. Maar Christus stak „Zijn hand door het gat van de deur” (Hooglied 5:4). Toen ging haar hart naar Hem uit en drupten haar handen van mirre. Zodra Christus Zijn handen door het gat van de deur stak, begeerde ze meer van Hem.

Thomas Watson, predikant te Londen

(”Uitleg van Psalm 137:3-6”, 1661)