Geestesgaven

Johannes 16:7

„Doch Ik zeg u de waarheid: het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.”

De Zaligmaker zou de Geest zenden, hetgeen Zijn godheid bewaarheidt. Daarom wordt Hij genoemd: de Geest des Zoons. Als Middelaar zendt Hij Die aan Zijn kinderen, om het werk der zaligheid in hun zielen uit te werken. Als God, zo zendt Hij de Geest van de Vader, door Zichzelf.

Zo komen nog de personen in aanmerking tot wie de Geest zou komen: de discipelen en al de uitverkorenen. „Gij, Mijn leden”, want Hij is de Behouder van Zijn lichaam. En zoals de balsem die op het hoofd van Aäron was uitgestort het gehele lichaam overliep, tot de onderste zoom van zijn kleed, zo ook onze ware Aäron: Hij komt die balsem van Gods Geest over Zijn gehele lichaam, de gemeente, uitgieten. En niet verder, want de wereld kan Hem niet ontvangen in Zijn Persoon of gaven (Johannes 14:17). „Weet gij niet dat uw lichamen tempels van de Heilige Geest zijn? En die zijn lichaam schendt, schendt de tempel Gods” (1 Korinthe 6:19).

Op wat voor een wijze Gods kinderen gemeenschap aan de Heilige Geest hebben, kan zo niet gezegd worden. Want het is een verborgenheid; en evenmin te verstaan als hoe zij aan de Heere Jezus gemeenschap hebben. Maar aan de gaven hebben zij deel, zoals die heerlijke geestesgaven over hen op de pinksterdag werden uitgestort, zodat ze spraken in allerlei talen.

Jodocus van Lodenstein, predikant te Utrecht (”De heerlijkheid van een waar christelijk leven uitblinkende in een godzalige wandel”, 1767)