Geestelijke overtuiging

Psalm 119:5

„Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te inzettingen te bewaren.”

Hoe duister en ellendig het met u ook mag zijn: u hebt en behoudt aangaande God, uzelf, de weg van de verlossing, de godzaligheid, evenals Gods kinderen, een geheel andere weg, gedachten en neigingen, dan de mensen van nature hebben. U bent niet tot uw vorige ongodsdienstigheid, boze gezelschappen, pronkerijen en dergelijke werken van het vlees, teruggekeerd. U hebt ze door Gods genade tot deze dag toe verlaten. Zo blijkt het, wanneer men uw toestand met het wezen van de bekering vergelijkten op het allernauwkeurigste beproeft, dat u uw weg en gedachten in waarheid verlaten hebt. Maar er zijn nog enige zwarigheden overgebleven, die bij sommige oprechte gemoederen van zo’n gewicht zijn dat ze alleen daarom hun staat niet durven vaststellen, maar in gestadige slingeringen voortwandelen. Omdat ze zeer algemeen zijn, daarom dient men alle moeite aan te wenden om ze recht grondig op te lossen. Daarvoor is ook wel raad. Hoewel ze voor sommigen oplosbaar voorkomen, kan toch iemand die zich maar een weinig aan onderscheidend denken en spreken gewend heeft, de ongegrondheid daarvan zo helder en grondig betogen, dat men er met argumenten niet het minste tegenin kan brengen. Maar zal een geslingerd gemoed daardoor tot wezenlijke rust raken, dan dient de Heilige Geest daaromtrent licht en overreding te schenken.

J. C. Appelius, predikant te Zuidbroek en Muntendam

(”Aanmerkingen over het recht gebruik van het Evangelie”, 1762)