Geest en waarheid

Romeinen 8:26

„En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp.”

Die in Christus is, wordt vernieuwd in de wijze van zijn godsdienst. Hij placht God te dienen in de oudheid der letter, beantwoordend aan de letter van het gebod in uiterlijke plichten, zoals men die verrichten kan onder de heerschappij van de oude mens. Maar nu dient hij God in nieuwigheid des Geestes (Romeinen 7:6). Hij dient Hem op een nieuwe wijze, waarin Hij geholpen wordt door Gods Geest (Romeinen 8:26), als zijnde boven het bereik van vlees en bloed. Hij dient nu de waarachtige en levende God (1 Thessalonicenzen 1:9) en dat in geest en in waarheid (Johannes 4:24). Hij heeft een geestelijk besef van God en laat zijn ziel in dat werk toe, doende en sprekende in waarheid en ongeveinsd. Als hij God dient, begeert hij altijd tot Hem te naderen, de levende God, Die komt, hoort en ziet en zijn dienst aannemen kan (Psalm 42:2, 3). Hierin faalt hij menigmaal, maar nochtans mag ik zeggen dat hij zo’n dienst beoogt en ze soms betracht. Hij acht ook die godsdienst niet veel die zo aan God niet toegebracht wordt. De onheiligheid van zijn heilige verrichtingen is op zijn minst zijn last en kwelling. Van zo’n godsdienst zijn de natuurlijke mensen vervreemd, terwijl zij hun ijdele en winderige roemtaal uitblazen (Lukas 18:11,12), en dat genoegzaam tegen een onbekende God (Handelingen 17:23).

William Guthrie, predikant te Fenwick

(”Des christens grote interest”, 1668)