Geest en vlees

Romeinen 7:26

„Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.”

Direct na uw komen tot Christus voelt u oude en nieuwe verdorvenheden die krachtig hijgen, begeren, woelen en u doen struikelen. Dit kan uit de volgende onwrikbare gronden bewezen worden. Elke rechtzinnige belijder van onze kerk weet, gelooft en belijdt dat er in de beste begenadigden tweeërlei beginsel, dat lijnrecht tegenover elkaar staat, in dit leven nog plaatsheeft. Er is een geestelijk leven dat alle zonden haat, bestrijdt en verlaat. Maar er is ook een overgebleven dood en vlees. Dit vlees is in een godvruchtig mens door de bekerende genade niet beter geworden dan het vlees van een niet-begenadigde. Er is wel een geestelijk leven ingeschapen dat beter is dan het vlees. Maar de verdorvenheid zelf is niet verbeterd. Wie vlees is, blijft ook vlees, omdat het anders geen verdorvenheid meer zou zijn. Wanneer iemand in de heiligmaking toeneemt, dan worden zijn ziel en lichaam wel gebeterd, maar niet de verdorvenheid. Hem wordt een grotere maat van het geestelijk leven geschonken, en de verdorvenheid wordt meer tenietgedaan. Maar de verdorvenheid zelf wordt niet beter gemaakt. Dit verdorven overgebleven vlees in een begenadigde is even boos als in een niet-begenadigde. Het is blind, ongelovig, vijandig tegen God en al het goede. Het hijgt en reikhalst naar het kwade. Het oefent kracht en geweld. Het neemt een kind van God helaas gevangen.

J. C. Appelius, predikant te Zuidbroek en Muntendam (”Aanmerkingen over het recht gebruik van het Evangelie”, 1762)