Geest der genade

Jesaja 44:3a

„Want Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge.”

In het Oude Testament wordt de Geest der genade vaak onder het zinnebeeld van water voorgesteld. In Jesaja 44:3 staat: „Ik zal water gieten op de dorstige”, dat direct nader wordt verklaard als: „Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten.” En in Ezechiël 36:25 wordt gezegd: „Ik zal rein water op u sprengen.” Dat betekent: „Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u” (Zach. 12:10, Joh. 7:38, Openb. 22:1).

Zoals nu het water een reinigende, verkwikkende en vruchtbaarmakende kracht heeft, zo zijn al deze werkingen bij de Heilige Geest ook te vinden. Zoals het water niet eerder vloeide dan nadat de rotssteen geslagen was, en nadat zich de heerlijkheid Gods daarop geopenbaard had, zo is ook de Heilige Geest niet eerder op een zichtbare en heerlijke wijze uitgestort dan nadat Christus de vloek der wet gevoeld, Gods gerechtigheid verzoend, Zijn lijden door de dood volbracht had en Hij in heerlijkheid opgenomen was. Daarom wordt er gezegd: „De Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was” (Joh. 7:39b). Daarom wordt de zaak zo voorgesteld dat „de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkwam uit de troon des Lams Dat geslacht is” (Openb. 22:1). Nadat de Messias was voorgesteld als van God geslagen en verwond (Jes. 53:4, 5), wordt gezegd: „O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren” (Jes. 55:1a).

Johann Jakob Rambach, theoloog in Giessen (”Voorbeeld en tegenbeeld”, 1763)