Geen veilige haven

Psalm 4:9

„Ik zal in vrede tezamen neerliggen en slapen; want Gij, o Heere, alleen zult mij doen zeker wonen.”

Iemand die door een begeerte naar geld bezeten is, ontketent talloze oorlogen, gevechten en opstanden tegen zijn eigen ziel, en terwijl hij voortdurend in tumult en verwarring verkeert, kan hij zelfs niet een klein beetje op adem komen. Maar hij die zich van die kwalijke neigingen gedistantieerd heeft, is zo niet gesteld, maar bevindt zich in een kalme haven, laadt zich op met liefde voor de ware wijsheid en heeft geen enkele last van dergelijke onaangename toestanden. Omdat ook de profeet van de voorzienigheid genoot, zei hij: Daarom zal ik in vrede neerliggen en slapen. Daarmee wilde hij aangeven dat voor degene die die vrede niet heeft, alleen die gemeenschappelijke haven niet geheel openligt, maar dat ook de haven van de slaap en van de nacht afgedamd is. Want die hartstochten bederven zelfs de onbezorgdheid die door de natuur geschonken is, omdat ze de alleenheerschappij van de slaap door een andere, nog veel lastiger, tirannie volledig verstoren. Want mensen die afgunstig zijn, geldgierig, hebzuchtig en roofgierig, zijn lieden die de oorlog overal met zich meedragen en die de vijanden vanbinnen hebben zitten, waar ze juist weg zouden moeten gaan. Ze kunnen de strijd niet ontvluchten. Want ook al blijven ze thuis, al liggen ze op bed, ze hebben massa’s pijlen en een verwarring die nog erger is dan woeste golven, wonden, gegil, gejammer en allerlei andere rampen.

Johannes Chrysostomus, priester in Antiochië

(”Homiliën”, ca. 390)