Farizeeër

Prediker 7:16

„Wees niet al te rechtvaardig, en houd uzelven niet al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?”

Hoe lang zult u traag van hart zijn, hoe lang hebt u de ijdelheid lief en zoekt u de leugen? Wees rechtvaardig genoeg. U intussen, die aan het roer zit, wees bereid de nood van de republiek te hulp te komen, opdat toch eenmaal door tijdige tuchtmaatregelen de woedende laster en schande belet worden. Waarom brengt de kerk de sleutels niet tevoorschijn, waarom stelt zij die niet in het werk, die met het zwaard van de mond altijd vrijuit heeft gedreigd? Waarom vernieuwt u niet ten enenmale de kracht en heilige vreze van de geestelijke bliksem en maakt dat degenen die de dienaars Gods klein achten, uw rechtspraak ontzien? Eerst wordt dit buiten twijfel gesteld: „Wees rechtvaardig”; daarop volgt hetgeen verboden wordt: „Niet te veel”; hetzij in opinie, hetzij ook in de daad zelf.

Niet in opinie. Gemakkelijk worden degenen die enige rechtvaardigheid in zichzelf hebben door de zuurdesem van hun eigen liefde verheven en menen dat zij zeer veel hebben. Zo was de prijzer van zichzelf, de farizeeër, rechtvaardig: „Ik dank U, Heere, dat ik niet ben gelijk anderen.” Hij zegt niet: „gelijk sommigen.” Dat zou zedigheid en een neerbuigende deemoedigheid zijn, want er zijn voorwaar sommige duivelen in een menselijke gedaante vermomd, zoals Hieronymus waarachtig zegt. Maar „gelijk anderen”, zegt hij: dat betekent een algemene manier van spreken (op zichzelf gericht).

Joseph Hall, deken van Worcester (”Preek op de Synode van Dordrecht”, 1618)