Eeuwigheid

Psalm 4:8

„Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd als hun koren en most vermenigvuldigd zijn.”

David zegt: „Ik heb in aardse rijkdom geen vreugde, maar in het hart”, dat over andere dingen nadenkt, in gedachten, die niet op het lichaam betrekking hebben en zich de niet lichamelijke dingen voorstellen. Als u blij bent met het hier en nu, en daaruit afleidt dat Gods voorzienigheid daarover gaat, laat het dan des te sterker tot u doordringen, als het gaat om de dingen die nog komen zullen, dat die veel beter, bestendiger en onvervreemdbaarder zullen zijn. Immers, als het feit dat u in rijkdom en voorspoed leeft u al overtuigt van het feit dat de voorzienigheid van God er wel degelijk is, hoeveel te meer moet dan het feit dat u in de hemel rijk bent u ervan overtuigen dat die voorzienigheid echt bestaat?

Als u zou zeggen: „Waarom zijn die dingen in hoop gelegen en niet duidelijk zichtbaar?” dan zou ik dit willen zeggen: „Wij achten wat wij hopen, duidelijker dan alle zichtbare dingen.” Zodanig is immers de volle zekerheid van het geloof. Als u op uw beurt zou zeggen: „Waarom ontvangen wij hier geen loon?” dan zeg ik dat deze tijd er een van strijdperken en worstelingen is en die andere tijd de periode van overwinningskransen en wedstrijdprijzen. Een duidelijke blijk van de zorg van God is geweest dat Hij de inspanningen aan dit korte en vergankelijke leven toegewezen heeft, maar de wedstrijdprijzen voor de eeuwigheid beschikbaar stelt.

Johannes Chrysostomus, priester in Antiochië (”Homiliën”, ca. 390)