Echte vroomheid

Johannes 17:3

„En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.” De duivel raast geweldig tegen deze leer (van het geloof alleen) en roept al zijn trawanten, papisten en ketters op die, ofschoon ze wel veel over het geloof horen of er zelf over spreken en prediken, er toch nooit iets van begrijpen of ervaren. Zij weten en leren niets meer dan van de eigen deugd en eigen werken, die ze begrijpen en volbrengen kunnen.

Nu is het waar dat God vrome lieden wenst van onberispelijke levenswandel, heilig en onstraffelijk voor de wereld. Maar dat kan voor God niemand tot christen maken. Dat kan het eeuwige leven niet bewerken of aanbrengen. Tot deze eer kan geen menselijke levenswandel noch heiligheid het brengen; het moet als een schoon en heerlijk leven hoog en ver boven alle werken zweven. Onze werken en ons leven moeten hier beneden in deze bedeling blijven en aardse vroomheid heten, die God ook van ons eist en die Hem ook behaagt als ze in het geloof geschiedt en die Hij, zowel hier als in het hiernamaals, belonen wil. Datgene echter waarover wij hier spreken, is een hemelse en goddelijke vroomheid die het eeuwige leven bewerkt. Want die vroomheid staat niet in mensenkracht en vergankelijke werken. Ze heeft een andere en eeuwige grond, waarop ze ook eeuwig blijven moet.

Maarten Luther, hoogleraar in Wittenberg (”Het Hogepriesterlijk gebed”, 1530)