Echte Hogepriester

Galaten 3:13

„Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is eenieder die aan het hout hangt.”

De Heere Jezus moest, om de belofte der genade op ons te doen rusten, Zijn bloed nog vergieten en dat Zijn Vader voordragen. Daarop wijst Paulus in Galaten 3:13 en 14. Maar dit was tot dat doel, opdat de zegeningen van Abraham tot de heidenen komen zouden in Christus Jezus, en opdat wij de beloften van de Heilige Geest ontvangen zouden, door het geloof. Ziet dan hoe Christus eerst aan het vervloekte hout moest hangen, en daar Zijn bloed uitstorten, eer wij de beloften van de Heilige Geest verkrijgen konden. Zoals de Hogepriester niet alleen het bloed uitstortte, maar daarmee in het heilige der heiligen ging, en dat aan de Heere voorstelde, en voor het volk bad. Zo moet ook onze ware Hogepriester, Christus, toen Hij Zijn bloed uitgestort had aan het vervloekte galgenhout, ook in dat heilige der heiligen, in de hemel zelf, niet met vreemd bloed, maar met Zijn eigen bloed ingaan, en dat aan Zijn Vader opdragen, tot verzoening van de zonden van Zijn volk, en daar voor hen bidden. Daarom moest Hij naar de hemel gaan, want als Hij op aarde was gebleven, kon Hij geen Hogepriester zijn (Hebreeën 8:4).

Jodocus van Lodenstein, predikant te Utrecht

(”De heerlijkheid van een waar christelijk leven uitblinkende in een godzalige wandel”, 1767)