Doven zullen horen

Jesaja 29:18

„En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.”

„Te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks.” Wij zijn nu genaderd tot het eerste karakter, waardoor een kind van God omschreven wordt, en tot een belofte, die aan hen gedaan is. Maar wat hebben wij te verstaan door de uitdrukking de doven? Wie worden hier bedoeld? Mij dunkt dat hier de uitverkorenen Gods in tweeërlei opzicht genoemd worden – wat zij zijn vóór, en wat zij zijn tijdens het wederbarend werk van de Geest in hun geweten. Voordat God de uitverkorenen geestelijk leven meedeelt, hebben zij, in vereniging met al Adams kinderen, geen oren om naar des Heeren stem te luisteren. Zij letten niet op al wat Hij in het Woord der waarheid hun bekendmaakt. Zij zijn doof voor Zijn voorzienigheid, voor Zijn beloften, waarschuwingen en bevelen. Maar de belofte is: „te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks.” „De oren van doven zullen geopend worden” (Jes. 35:5) en dan, maar ook dan alleen, zullen zij horen wat God spreekt. Maar er is een andere zin (en deze wordt naar mijn gedachten hier door de Heilige Geest bedoeld), waarin iemand doof genoemd wordt, en die is, zich bij bevinding in zijn gevoel zó te beschouwen, naar de woorden van Jesaja 43:8 (en hoe treffend zijn die woorden!): „Breng voort het blinde volk, dat ogen heeft, en de doven, die oren hebben.”

J. C. Philpot, predikant te Oakham en Stamford (”Vreugde in de God van Israël”, 2007)