Dorstigen

Jesaja 55:1a

„O alle gij dorstigen, komt tot de wateren.”

Hoor wat Jezus Christus uitroept in Jesaja 55:1: „O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren.” En in Johannes 7:37-38: „Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn buik vloeien.”

In deze uitnodiging van de Heere Jezus is de gehele schikking waarin men de van Hem vlietende levendige wateren genieten kan, in vier woorden vervat. Men moet namelijk: dorsten, komen, geloven, drinken. Dorsten betekent: zijn geestelijk gebrek gevoelen en naar hetgeen waardoor het vervuld kan worden ernstig verlangen. Voorzeker, niemand zal oprecht begerig naar dit edel en voortreffelijk water des levens zijn, die zijn gebrek niet tevoren gekend en gevoeld heeft. Alleen degene die als een reiziger is die in een grote woestijn, waarin geen water te vinden is, hijgt, en naar niets met zo’n zucht dan naar een verse dronk verlangt. Zijn ogen zijn door God zo geopend, om zichzelf te zien als een mens die versmachten en eeuwig verderven moet, als Jezus Christus hem het water des levens uit Zijn volheid niet schenkt. O, die zal zijn ogen op deze Rotssteen des heils begerig richten, van Wie geschreven staat (Jesaja 12:3): „Gij zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils.” Hij zal een angstige begeerte in tranen en gebeden hebben om Zijn Geest deelachtig te worden!

Johann Jakob Rambach, theoloog in Giessen (”Voorbeeld en tegenbeeld”, 1763)