Dank en gebed

Openbaring 3:15

„Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet!”

We willen de Heere voor Zijn oneindige goedertierenheid, ons en ons land tot nog toe bewezen, hartgrondig danken. En van onze zonden, snode boosheid en ongerechtigheid voor Hem een ware en ongeveinsde belijdenis doen. Daarover hebben we ons diep in heilige schaamte, droefheid en berouw, vernederd. We mogen Hem om genade smeken, om vergeving Hem vurig aanlopen en onszelf oprecht, van onze zonden bekeren. We mogen verder Gods genadige zegen over ons, ons land en de protestantse kerk ootmoedig en vurig afsmeken.

Wat zijn het grote en heilzame zaken, die hier van ons geëist worden! Gelukkig waren wij, gelukkig was ons land met haar inwoners, indien het zo mocht geschieden als onze overheden bevelen! Maar het is te vrezen dat ook deze biddag, zoals zo veel voorgaande biddagen, wegens de algemene lauwheid, onbekeerlijkheid en verstoktheid die er onder ons is, slechts in een sleurgodsdienst zal eindigen, tenzij het de Heere behaagde, nog wonderen van genade onder ons te doen. Mocht dan nog maar des Heeren volk op deze dag een hart ontvangen, om zich in ware ootmoed voor de allerhoogste God te vernederen. De droevige toestand van land en kerk aan Hem voor te dragen en bij Hem om zegen, genade en verzoening vurig aan te houden. Ja, mocht ik ellendige, ook nog verwaardigd en bekwaam gemaakt worden, om nog op deze dag een vruchtbaar en gezegend woord te spreken.

Theodorus van der Groe, predikant te Kralingen (”Veertien nagelaten biddagpredikaties”, 1840)