Christuspsalm

Psalm 3:1

„Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.”

De woorden van David: „Ik heb geslapen en rust genomen; ook ben ik opgestaan, want de Heere zal mij opnemen”, zoals door hem uitgesproken in het vijfde vers van deze psalm, brengen mij ertoe om wat hier gezegd wordt, vanuit de persoon van Christus te verklaren.

De klank van deze woorden doet nog meer denken aan het lijden en de opstanding van de Heere dan aan de geschiedenis waarin wordt beschreven dat David gevlucht is voor het aangezicht van zijn eigen zoon, die oorlog voerde tegen hem.

En aangezien er –als het over de discipelen van Christus gaat– geschreven is: „Zolang de Bruidegom bij hen is, vasten de zonen van de Bruidegom niet” (Mattheüs 9:15), is het niet verwonderlijk, dat zijn goddeloze zoon (Absalom) een aanduiding is van –en vergeleken mag worden met– „de goddeloze discipel (Judas), die Hem verraden heeft.”

En hoewel het feit dat Absalom voor Davids aangezicht is weggevlucht als historisch (feit) zeker kan worden aangenomen, aangezien Absalom zich met de overigen terugtrok op de berg, toen David wegging.

Toch kan dit ook geestelijk verklaard worden. Want de Zoon van God, Hij Die de deugd en de wijsheid van God is, had de geest van Judas verlaten toen de duivel helemaal bij Judas was binnengedrongen.

Dat er geschreven is: „En de duivel ging binnen in zijn hart” betekent dat Christus van hem is weggevlucht.

Aurelius Augustinus, bisschop te Hippo

(”Preek over Psalm 3”)