Blind

Jesaja 29:18

„En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.”

Wat moet dat een vreemd volk zijn! Een blind volk dat ogen heeft en een doof volk dat oren heeft. Zij worden blijkbaar als een vreemd en bijzonder volk tevoorschijn geroepen, opdat de mensen zich zouden verwonderen. In natuurlijk opzicht zou het een tegenstrijdigheid zijn. Maar in geestelijk opzicht bestaat hier geen tegenstrijdigheid, want zij gevoelen hun blindheid en nochtans zien zij. Ze gevoelen hun doofheid, ofschoon zij horen. Zoals het met Paulus letterlijk en werkelijk was, zo is het met ons in het geestelijke: met de eerste straal licht gevoelen wij ons blind. Verblindde hem niet het licht van de hemel, dat hem, reizende naar Damascus, plotseling omscheen? Was hij niet drie dagen blind? Zo is het in geestelijk opzicht. Voordat wij beginnen te zien, gevoelen wij nooit onze blindheid; zolang wij menen licht te hebben, zijn wij in de duisternis. Maar op het ogenblik dat wij beginnen te zien, beginnen wij onze blindheid te gevoelen, en wanneer wij beginnen te horen, worden wij onze doofheid gewaar. De reden hiervan is dat er ons een nieuw vermogen tot zien en horen is meegedeeld. Dit vermogen heeft, ofschoon nog zwak en slap zijnde, ons bekendgemaakt hoe blind wij nog zijn voor de gezegende waarheden van het Evangelie en hoe doof om iets tot onze vrede, vreugde en vertroosting te horen.

J. C. Philpot, predikant te Oakham en Stamford (”Vreugde in de God van Israël”, 2007)