Biddag

Romeinen 12:12c

„Volhardt in het gebed.”

Onder al de plichten schijnt het gebed de kroon der eer weg te dragen. Het is als het ware de opperbevelhebber die alle dingen –ja, in zeker opzicht zelfs God, met Zijn eigen toestemming– onder zijn bevel heeft. Daarom zegt God door de profeet: „Geef Mij bevel van het werk van Mijner handen” (Engelse vertaling van Jesaja 45:11). Het gebed is de gunsteling in het hof des hemels, aan wie de Koning der koningen niets weigert. Deze plicht is van zo’n gewicht, dat hij dikwijls genomen wordt voor de gehele dienst van God: „Vraagt naar de Heere en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk” (Psalm 105:4). De tempel van God, die de woning van de Allerhoogste was, werd door God Zelf met deze naam gedoopt: „Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden” (Jesaja 56:7b).

Gods kinderen, die hoger zijn dan de koningen der aarde, zijn hieraan bekend, dat zij van adellijke geboorte zijn: „Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob” (Psalm 24:6). Hij is de Hoorder van het gebed: „Gij hoort het gebed” (Psalm 65:3).

Er is geen plicht die meer geboden wordt, en waaraan meer beloften zijn verbonden, dan het gebed.

Ralph Erskine, predikant te Dunfermline (”Veertien preken over het gebed”, 1865)

Ralph Erskine, geboren in 1685, was een puriteins predikant uit Schotland. Van 1711 tot zijn overlijden in 1752 diende hij de gemeente van Dunfermline. Samen met zijn broer Ebenezer kwam hij in conflict met de Schotse Kerk. Ze vormden een presbyteriaanse kerk.