Amen

Genesis 22:18a

„En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde.”

„Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf” (Hebreeën 6:13). Namelijk toen de Heere tot hem zei: „Daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt, voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten” (Genesis 22:16-17). „Waarin”, zegt de apostel, „God, willende de erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daar is tussengekomen” (Hebreeën 6:17). Vervolgens wordt ons door deze naam ”Elohim” getoond dat God macht, genoegzaamheid en het recht heeft om de mens en de zondaar te bezweren, om te geloven de goddelijke beloften en om te gehoorzamen de goddelijke geboden en bevelen, en om met lijdzaamheid en blijdschap te hopen en te wachten op de vervulling van de Goddelijke profetieën en voorzeggingen; en dat de mens en de zondaar gehouden is, op zodanige bezwering en verplichting te zeggen: Amen.

Fridericus Ragstat à Weille, predikant te Spijk

(”Noachs profetie”, 1685)