Als een paard

Psalm 32:9

Psalm 32:9

„Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, dat geen verstand heeft, wiens muil men breidelt met toom en gebit , opdat het u niet genaakt.”

Leert uw genegenheden en hartstochten wel regelen en altijd houden onder het gebied van de Schrift en uw verlicht geweten, om niet af te vallen. De hartstochten zijn zonder die teugel niet anders dan dolle paarden die losgelaten zijn. Zij zullen u telkens weer neer werpen. Waardoor kwam Petrus tot die herhaalde verloochening van zijn Heere en Meester? Door de ongeregeldheid van zijn hartstochten. Doordat hij aan zijn menselijke vreesachtigheid te zeer voldeed en volgde. Een zot, zegt Salomo, dat is een mens die zondig en onverstandig is, laat zijn ganse geest uit. Dat wil zeggen al zijn gedachten, genegenheden en bewegingen. Die daarentegen wijs houdt die achterwaarts. Dat wil zeggen die toomt hij in om, zoals het sommigen verstaan, die niet geheel te ontdekken. Of, zoals het ook opgevat kan worden, om zijn genegenheden te verhinderen dat ze over de redelijke machten van de ziel geen heerschappij beginnen te gebruiken. Daarom bedwingt uw boze genegenheden, zo lief als u uw zaligheid hebt.

Wilhelmus Saldenus, predikant te Enkhuizen

(”Een christen vallende en opstaande”, 1662)