Abrahams kinderen

Mattheüs 1:1

„Het boek van het geslacht van Jezus Christus, de Zoon van David, de zoon van Abraham.”

Wij zijn in het gezelschap van Abrahams kinderen. Dat geschiedde door het geloof, maar ging tegen de natuur in. Het is een onbegrijpelijk wonder geweest, dat heel de wereld in verbazing gezet heeft, tot de paradijsengelen toe, zoals Paulus zegt. Leren wij zo in alle vreze te wandelen, om niet uit Gods huis afgesneden te worden. Nadat onze Heere Jezus Christus Zich eenmaal aan ons meegedeeld heeft als de Redder van heel de wereld, laten wij dan volharden in ware standvastigheid des geloofs. Al zijn wij vervloekt in onze vader Adam, laten wij toch weten dat wij in onze Heere Jezus Christus een zegening hebben teruggekregen die ons niet kan ontgaan. Al hebben wij slechts stof voor dood en eeuwige verdoemenis, toch moeten wij zeker zijn dat het heil dat ons door Hem is verworven ons nu zo met Hem heeft verenigd dat wij één zijn door het middel dat wij al noemden, namelijk door de broederschap die Jezus Christus Zich verwaardigd heeft met ons te hebben. Laten wij dan standvastig hopen, deze dingen verstaande, dat God ons tot Vader zal zijn, om ons te geleiden in dit broze leven en om ons eindelijk te voeren tot de erfenis die Hij ons heeft bereid vóór de schepping der wereld, en die Hij ons voor zo’n dure prijs heeft verworven in de Persoon van onze Heere Jezus Christus.

Johannes Calvijn, reformator te Genève

(”Het gepredikte Woord”, 1978)