Aanvechtingen

Romeinen 7:21

„Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.”

Grondig opgeloste zwarigheden kunnen soms donker blijven, en het gemoed nog meer bezwaren. Laten we in afhankelijkheid van de invloed van de Geest eens zien of de kracht van de Heere in onze zwakheid wil werken, om iets tot een grondige oplossing daarvan voor te dragen.

De algemeenste en gewichtigste zwarigheden die een geslingerd kind van God, tot een bewijs dat het zijn weg en gedachten nooit recht verlaten heeft, pleegt in te brengen, zijn voornamelijk deze. „Hoe zou ik”, zegt een beangst gemoed, „durven denken dat ik mijn weg en gedachten verlaten heb, daar ik tot mijn innige beroering zo vaak voel dat de zonde die ik meende oprecht verlaten te hebben, nog in mij woont? Ik word, helaas!, nog andere verdorvenheden gewaar, die ik voor mijn verandering nooit in mij ontdekt heb. Deze boosheden zijn niet alleen in mij, maar ze worden ook vaak, tegen mijn zuchten, bidden en hopen, zo levendig, dat ik nauwelijks vinden kan of er ook iets in mij is dat daar wat tegen heeft. Ze hijgen en begeren naar de uitvoering. Ze overmannen mij, nemen de overhand, en beheersen mij zo geweldig dat ik vaak met gedachten, woorden en werken zwaar struikel. Is dit niet een levend bewijs dat ik de oude weg en gedachten nooit recht verlaten heb, maar dat ik nog onder de heersende kracht van de zonde leef?”

J. C. Appelius, predikant te Zuidbroek en Muntendam

(”Aanmerkingen over het recht gebruik van het Evangelie”, 1762)