Aanklager

1 Johannes 2:1b

„En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige.”

Hier is een Rechter, Die rechtvaardig is, en hier is ook een Voorspraak. Een Voorspraak voor de kinderen, een Voorspraak om te pleiten. Want een Voorspraak als zodanig is van geen nut dan voor de balie om te pleiten. Daarom is hier ook een overtreding, en dus is de wet geschonden, zowel door de gelovigen als door de anderen. Wanneer de tekst vervolgens veronderstelt dat er een rechter is en dat er misdaden van de gelovigen zijn, zo veronderstelt hij ook, dat er een beschuldiger, een verklager is, die met zorg alle gebreken van de rechtvaardigen bij elkaar zoekt om tegen hen te pleiten voor de balie. Vandaar dat wij lezen van „de verklager (aanklager) van onze broeders, die hen verklaagde voor onze God, dag en nacht” (Openbaring 12:10). Want de satan brengt niet alleen de rechtvaardige in de verzoeking om te zondigen, maar wanneer hij hem verleid heeft en hem schuldig gemaakt heeft, gaat hij ijlings naar de rechtbank. Naar God, de Rechter van allen, bij Wie hij begint hem te beschuldigen en de afschuwelijkheid van zijn misdaad te zijnen laste te leggen. Terwijl hij tegen hem pleit, dat hij de wet geschonden heeft, dat hij gezondigd heeft tegen beter weten in –en andere dingen van dien aard. Maar nu biedt de apostel in de tekst zo’n arm volk een Voorspraak aan tot hulp en ondersteuning van hen.

John Bunyan, voorganger te Bedford

(“Preek over 1 Johannes 2:1”, 1885)