„Luther niet blij met snelle verspreiding stellingen”

Standbeeld van Maarten Luther te Eisenach. beeld RD, Henk Visscher
2

„Luther was niet blij met de razendsnelle verspreiding van zijn 95 stellingen.” Dat zei prof. dr. Christoph Burger woensdagavond tijdens een lezing over de hervormer in Haarlem.

Als Luther geweten had dat zijn stellingen zo veel ophef zouden veroorzaken, had hij meer moeite gedaan met de formulering en had hij de tekst in de taal van het volk geschreven, beweerde de emeritus hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij hield zijn lezing ”Luthers kritiek aan de aflaat – aanleiding voor de Reformatie” in de Lutherse Kerk te Haarlem ten aanhoren van zo’n veertig aanwezigen. Van 1982 tot 1990 coördineerde prof. Burger de werkzaamheden van zeven wetenschappers aan het register van Luthers geschriften aan de faculteit der godgeleerdheid van de universiteit van het Duitse Tübingen. Tijdens zijn lezing legde prof. Burger uit wat de aflaat in de middeleeuwse kerkleer betekende en hoe er over dit ”aanbod van genade” werd gesproken.

Aflaten waren de eeuwen door in de kerk gebruikelijk, aldus prof. Burger. „Een aflaat was een genoegdoening voor kerkelijke straffen.” Volgens de emeritus hoogleraar was het aanvankelijk de praktijk dat de kerkelijke genoegdoening voorafging aan de vergeving van de schuld die de priester uitsprak. „In de late middeleeuwen komt de genoegdoening echter na het vergevingswoord van de priester. Het gaat dan om straffen die de priester of bisschop iemand namens God oplegt.”

In de tijd dat Luther zijn 95 stellingen schreef, was er nog geen algemeen sluitende theologische leer ontwikkeld van de aflaat, aldus prof. Burger. Duidelijk was wel dat de aflaat alleen van de kerkelijke straf kon bevrijden, nooit van de schuld. „In de dagelijkse realiteit werd dit echter niet genoeg beklemtoond. Er werden sinds 1300 aflaten uitgevaardigd waarbij de toezegging werd gedaan dat men bevrijd was van schuld en straf.”

Zo ontstond er onzekerheid over de hoeveelheid straf die men moest dragen. „Volgens de kerkelijke leer keek God niet alléén naar begane misdaden, maar beoordeelde Hij ook wat iemand heeft nagelaten te doen.” Het beeld van Christus bij het laatste gericht joeg veel mensen angst aan. „Ook Luther was bij de aanblik van een afbeelding van een rechtsprekende Christus hevig geschrokken.”

Johannes von Paltz, een theoloog uit de late middeleeuwen, beoordeelde de christenen in zijn tijd als zwakkelingen. „Als compensatie voor hun zwakheid moest God door bemiddeling van de kerk hun extra veel genade geven.” Luther zag dit anders en zegt in zijn 95 stellingen: „Een christen die zijn geloof serieus neemt, accepteert de straf.” Hij begint zijn stellingen dan ook met de stelling dat Jezus Christus eist dat het hele leven boete is.

Luther richt zich in zijn 95 stellingen vooral tegen de verkoop van aflaten, aldus Burger. „De publicatie veroorzaakte veel ophef omdat het hierbij ging om een succesvolle kerkelijke actie, die Gods genade aan financiële winst koppelde. Daarnaast betekende kritiek op de aflaten kritiek op de paus die de aflaten uitdeelde.” Luther wilde de christenheid wijzen op Christus alleen.

De emeritus hoogleraar sloot zijn lezing af door te stellen dat hij het van belang acht dat lutheranen in de aanloop naar de herdenking van 500 jaar Reformatie nadenken over een aantal zaken. „Zijn zij ervan overtuigd dat zij door Jezus Christus te weten komen wie God is? Dat zij alleen uit genade willen leven? Dat zij gelovig vertrouwen op God en dat zij de traditie minder belangrijk vinden dan de Bijbel?”

>>rd.nl/reformatie