Leven hoeft niet altijd leuk te zijn

Elma Nobel. Beeld RD, Anton Dommerholt

Als alle ouders in Nederland een lijstje zouden maken van opvoedingsidealen die ze nastreven, komt het begrip trouw waarschijnlijk niet voor in de top 5. Terwijl het goed kan zijn om ergens in te volharden.

Voor iedereen, zeker ook voor gezinnen, valt er veel te kiezen. Met welke kerkelijke gemeente je meeleeft, welke school en verenigingen je kinderen bezoeken, waar je tijd aan opgaat, en aan welke ‘club’ jij je steentje wilt bijdragen. Wat anderen van deze keuze vinden, is –anders dan vroeger– minder belangrijk. Je maakt grotendeels zelf uit wat de doorslag geeft. Het kan interessant zijn om eens na te denken over de argumenten die in een gezin met wat oudere kinderen over de tafel vliegen. Moet iets vooral leuk zijn? Leerzaam? Zo veel mogelijk of juist zo min mogelijk traditioneel? Is het stiekem toch belangrijk wat anderen doen of denken?

De vraag is of het begrip trouw nog in het rijtje opvoedingsidealen voorkomt. Wat betekent het om trouw te zijn aan de groepen en verbanden waarbij je betrokken bent? Wat doe je als de gemeente, de school of de vereniging niet bevalt? Geeft de Bijbel ruimte om te switchen?

Voor psycholoog en pedagoog Elma Nobel-Buijs uit Garderen –echtgenote van de hervormde predikant ds. P. Nobel– is helder dat trouw onder druk staat in de samenleving en dat het individualisme hieraan debet is. „Ik moet groeien, ik moet het fijn hebben. Het moet ook allemaal nu, in dit leven. Is iets niet goed voor mijn ontwikkeling, dan stop ik ermee. Als ik zo redeneer, maak ik trouw ondergeschikt aan mijn belang. Het eeuwigheidsperspectief ontbreekt.”

Voordat de ik-gerichtheid in de tweede helft van de vorige eeuw sterk toenam, bestonden er weinig keuzemogelijkheden en was er minder mobiliteit. „Je had alleen de catechisatie. Daar ging je naartoe. Je bleef trouw aan je zuil.”

Nobel-Buijs waardeert het positief dat mensen meer mogelijkheden hebben gekregen om hun talenten te ontwikkelen. De keerzijde van deze ontwikkeling is keuzestress. Met als gevolg dat mensen zich wel voor een kort project in willen zetten, maar niet gedurende een langere periode. „Een kerkelijk ambt dragen, is tegenwoordig een project van vier jaar. In de politiek ben je een oudgediende als je zestien jaar in de Kamer zit.”

Is dat een probleem? Niet altijd, vindt de psycholoog. „Ambten en politieke functies zijn zwaar geworden. Trouw zijn, wil niet zeggen dat je nooit mag stoppen. Maar als je na twee jaar in het jeugdwerk vertrekt, bouw je geen langdurige band op met jongeren. Het duurt een tijdje voordat een tiener zich openstelt.”

Brief

Trouw zijn, zegt ze, zorgt voor stabiliteit, zekerheid, veiligheid en rust. „Als een voetbalteam moet afwachten of bij de training vijf dan wel acht mensen op komen dagen, is dat niet goed voor de teamgeest.” Ze tekent aan dat trouw gepaard moet gaan met liefde. „Liefde en trouw zijn het cement in relaties.”

De psycholoog somt verschillende Bijbelteksten op waarin het begrip trouw voorkomt. God noemt Zichzelf in het Oude Testament de Getrouwe. Daartegenover staat vaak, maar niet altijd, de ontrouw van mensen. Timotheüs heet een trouwe zoon en de Heere Jezus spreekt in Zijn gelijkenissen over een trouwe dienstknecht. Nobel-Buijs: „Wij mogen iets van Gods trouw weerspiegelen in onze relaties en in alle verbanden waarin we leven. Een leesbare brief zijn. Misschien ben je op de muziekvereniging wel de enige brief die mensen te lezen krijgen. Elke vereniging moet op haar leden kunnen bouwen.”

Ze ziet geen principieel verschil tussen de betrokkenheid bij de kerk of een niet-kerkelijke vereniging als het gaat over loyaliteit, wat iets anders is dan dat kerkelijke activiteiten onder druk komen te staan door sport of muziek. Dat risico is er, stelt ze. „Laat uw ja ja zijn en uw nee nee, staat er in de Bijbel.”

Ouders kunnen trouw en doorzettingsvermogen bij hun kinderen stimuleren door hen voor te houden dat niet alles altijd leuk hoeft te zijn, dat het goed is om te volharden. „Als je kind ergens aan begint, kun je voorstellen dat het de nieuwe bezigheid tenminste een jaar volhoudt. Het mag zijn mening hebben, maar er niet na een half jaar de brui aan geven. Andere mensen rekenen op zijn of haar inzet. Tegelijk moet je een voorbeeld zijn in grenzen aangeven. Laten zien dat je ook moet afbakenen en soms eerlijk nee moet zeggen. Juist om trouw en dienstbaar te kunnen zijn in dat wat je wél doet.”

Kwestie 1: een keer overslaan

Het loopt al tegen half twaalf als Erik en Rian op zaterdagavond thuiskomen van een verjaardag. Slaperig verlaten hun kinderen de auto. „Hoeven we morgenochtend niet naar de kerk?”, vraagt er één. „Ik ben zo moe.” Als Rian de volgende morgen wakker wordt, ziet ze dat het al over half negen is. Het hele huis is nog in diepe rust. Eén keertje overslaan, is toch niet zo erg? Ze kan zelf ook nog wel een uurtje slaap gebruiken.

Nobel-Buijs: „Dit kom je echt tegen. Het feestje was laat geworden, daarom zijn we er niet. De kerkgang is een afspraak met God. Andere afspraken zeg je ook niet zomaar af. Je weet van tevoren dat je gaat, dus daar kun je rekening mee houden. Soms zal een uitzondering de regel bevestigen – als je grieperig en snotterig bent, bijvoorbeeld. Kinderen zeuren veel minder als er een vaste regelmaat is. Ga je schipperen, dan geeft dat onrust. Dat we twee kerkdiensten op een zondag hebben, is een luxe en een zegen. Om die te behouden, moeten we dit gebruik met z’n allen dragen.”

Kwestie 2: van jeugdclub af

Sarah bezoekt het jeugdwerk van haar kerkelijke gemeente. Maar nu verruilen haar vriendinnen de jv voor de club van een andere kerk. Sarah wil met ze mee. „Ik zou graag zien dat je naar onze eigen vereniging blijft gaan”, zegt haar moeder. „Maar dan zit ik daar straks in m’n eentje”, zegt Sarah boos en bijna in tranen. „Als ik niet mag, blijf ik voortaan thuis.”

Nobel-Buijs: „Hier zou ik meer informatie willen. Gaat je eigen jeugdwerk ter ziele omdat mensen afhaken? Wat is de reden van vertrek? Kerkmuren zeggen jongeren weinig. Zij zoeken een gemeente die bij hen past, waar ze kunnen groeien. Het is belangrijk om in gesprek te gaan met je kind. Wordt het gepest of buitengesloten? Zijn er signalen om met de leiding te bespreken? Afhankelijk van de leeftijd kun je uitleggen dat we tot zegen mogen zijn op de plek waar God ons plaatst en dat het goed is om kinderen uit je eigen gemeente te ontmoeten. Een aanrader is ook om met andere ouders in contact te zijn, zodat je de achtergrond van hun keuzes kent. Als vader of moeder kun je blij zijn dat je kind überhaupt nog iets met de kerk te maken wil hebben.”

Kwestie 3: saaie psalmen

„Ik ga later naar een andere kerk”, deelt Robert mee tijdens het ontbijt. „Dan weten jullie dat alvast.” Waarom wil je dat? vraagt vader. Robert hapt in een broodje. „De psalmen zijn zo saai”, zegt hij. „Op school zingen we andere christelijke liedjes. Die vind ik wel mooi. Ik wil graag naar zo’n kerk als die van oom Wim en tante Petra, waar geen orgel is maar een drumstel. Dat vind ik veel leuker.”

Nobel-Buijs: „Dit gaat over trouw zijn aan de Psalmen. Ga maar met kinderen in gesprek. Waarom zou je trouw zijn aan de Psalmen? Omdat Jezus ze zong. En als uiting van verbondenheid met Israël. Ik zou met zo’n jongere willen praten over het feit dat geloof niet in de eerste plaats gaat over wat je zingt. Leer je in de kerk God kennen? Wordt het Woord er verkondigd? Een kerkdienst is geen entertainment. Toch wil ik ook hier de nuance aanbrengen. Veel ouders van wie de kinderen niet meer geloven, zouden blij zijn als hun kind een kerkdienst zou willen bezoeken als die van Wim en Petra.”

Kwestie 4: nieuwe school

Als Marja en Jaap verhuizen naar een nieuwbouwwijk aan de rand van het dorp, komen ze voor een dilemma te staan. Hun kinderen bezoeken een christelijke school in het centrum. Klasgenootjes ontmoeten ze ook in de kerk. Vanaf het nieuwe huis is het best een eindje fietsen naar school. Marja en Jaap overwegen hun kinderen naar een andere school te sturen, bij hun om de hoek. De kerkelijke achtergrond van de kinderen is op deze school heel divers, maar dat vinden Marja en Jaap geen probleem.

Nobel-Buijs: „Hebben ze hierover nagedacht voordat ze een huis kochten? Als een goede refoschool in het centrum eigenlijk geen leerlingen kan missen, kun je overwegen een paar kilometer extra te fietsen. Tegelijk is het goed om in je eigen wijk tot zegen te zijn en daar vriendschappen te krijgen. Of het niet jammer is om de band tussen kerk en school zomaar door te snijden? Ja, maar als jouw kind naar catechisatie en club gaat, ontmoet het daar eveneens leeftijdsgenoten uit de kerk. Dat geldt ook voor kinderen die naar het speciaal onderwijs gaan. Je kunt verschillende keuzes maken met valide argumenten. Ook hier is de context bepalend.”

Kwestie 5: tijdsbesteding

Het kerkblad valt op de mat. Andrea leest dat de jeugdclubs in haar gemeente dringend verlegen zijn om nieuwe leiding. Automatisch kijkt ze naar haar agenda. Er blijft in hun drukke gezin maar weinig tijd over voor een avondje nietsdoen. Alle gezinsleden beoefenen wel een sport of bespelen een muziekinstrument. Verenigingen en catechisatie vragen tijd. En dan heeft ze het nog niet eens over school en werk. Zijzelf staat drie dagen voor de klas. De Bijbelkring schiet er daardoor weleens bij in. En hoe lang is het geleden dat ze zieke gemeenteleden een kaart heeft gestuurd? Ze legt het kerkblad weg en zucht.

Nobel-Buijs: „Plan je leven niet voor honderd procent, maar voor tachtig procent vol. Zorg dat er wat speling is. Misschien kun je één morgen helpen tijdens de vakantiebijbelweek, in plaats van drie dagen. Een tweede praktische tip: zet de data van Bijbelkring en avondmaal in je agenda en plan de rest eromheen.”