Krijgsmachtpredikant moest slagkracht Duitse leger vergroten

Op de Duitse militaire begraafplaats in het Limburgse Ysselsteyn liggen bijna 32.000 Duitse militairen begraven. beeld RD, Henk Visscher

In het Duitse leger dienden tijdens de Tweede Wereldoorlog meer dan duizend krijgsmachtpredikanten. Hun werk gold als ”kriegsnotwendig”, oftewel noodzakelijk voor de oorlog.

De –protestantse en rooms-katholieke– pastores hadden als opdracht om door middel van prediking en pastoraat de slagkracht van het Duitse leger te vergroten, zei historica Dagmar Pöpping deze week in een interview met de Duitse protestantse nieuwsdienst Idea. Aanleiding vormde het feit dat het dit jaar 75 jaar geleden is dat de Tweede Wereldoorlog ten einde kwam.

De legerpredikanten dienden „nationaal” te denken en een positieve instelling ten opzichte van het nationaalsocialisme te hebben, aldus Pöpping, verbonden aan de universiteit van München. „Als partners van de commandanten moesten ze de soldaten opwekken dapper te strijden en, zo nodig, voor volk en vaderland te sterven.” Dat deden ze bijvoorbeeld door de militairen mee te geven dat de dood niet het definitieve einde is, maar het eeuwige leven hun wachtte. Pöpping: „In de strijd tegen Rusland riepen zij de militairen op tot een hard gevecht tegen het atheïstische bolsjewisme. De soldaten van het Rode Leger werden als „beesten” ontmenselijkt, omdat zij niet in God geloofden. De legerpredikanten moesten deze oorlog, die een brutale aanvalsoorlog was, op de een of andere manier rechtvaardigen.”

In de loop van de oorlog werden de krijgsmachtpredikanten minder belangrijk: het Rode Leger bleek ook zonder zielzorgers „dapper en taai” te vechten. Vanaf 1944 moesten daarom ook meer dan duizend officieren als „predikers van het geloof in de Führer en de eindzege” het moreel van de Wehrmacht gaan opkrikken. „De krijgsmachtpastores kregen daardoor in toenemende mate concurrentie.”

Overigens zullen veel Duitse soldaten hun pastor zelden of nooit hebben gezien: op een divisie van 18.000 militairen was er één rooms-katholieke en één protestantse geestelijke actief.