Kerkhistorie met een knipoog: Slip of the pen

Canins drukkerij was bekend in Dordrecht. beeld iStock

Jarenlang bevond zich in Dordrecht uitgeverij en boekhandel antiquariaat J. P. van den Tol. Hij stond daarmee in een lange traditie. Nadat de Reformatie in Dordrecht plaatshad in 1572 wisten diverse drukkers en boekhandelaars daar een bestaan op te bouwen.

Opvallend is daarbij dat het bij die branche om Zuid-Nederlanders ging. Ik denk aan Jasper Troyen, die, nadat Antwerpen in 1589 in Spaanse handen viel, naar Dordt kwam en de uitgave verzorgde van Calvijns ”Harmonie van de Evangeliën”. Dit werk werd door de Dordtse predikant Gerard Gallus (de Haan) uit het Latijn in het Nederlands vertaald.

Ik denk ook aan Pieter Verhagen, die eveneens uit Antwerpen kwam en in 1578 te Dordrecht een gecorrigeerde versie van de ”Institutie” van Calvijn het licht deed zien. Ook kwam in 1581 een herdruk van het psalmboek van Datheen van zijn pers, net als het bekende boek van Johannes Polyander, ”Schijnbare tegenstrijdigheden in de Heilige Schrift”, dat in 1600 verscheen.

De bekendste en tevens de oudste drukker was Jan Canin (1534-1594). Hij was afkomstig uit Gent en kwam al spoedig nadat Dordrecht zich voor de Prins van Oranje verklaarde naar de Merwestad. Op 18 juni 1573 werd hij tot ouderling van de gereformeerde kerk gekozen en op 28 juli werd hij in de Grote Kerk met vijf medebroeders in het ambt bevestigd. Samen met de predikanten Lipsius en Wilhelmi mocht Canin arbeiden aan de opbouw van de gemeente.

Het consistorie kwam wekelijks bij elkaar. Jan Canin kreeg daarvan ontheffing, mogelijk vanwege zijn ambacht. Dat behoorde immers ook tot gemeenteopbouw. We denken aan de verschillende drukken van de psalmberijming van Datheen die hij verzorgde. Daarnaast aan ”De oorsprong van de wederdopers” van Guido de Bres, ”De Bijencorf” van Marnix van St.-Aldegonde, het martelarenboek van Adriaen Haemstedius en de catechismusverklaring van Jeremia Bastingius.

Overigens deed hij dat niet alleen want zijn zoons Jan, Abraham, Izaak en Jacob (!) werkten ijverig mee. Zodoende had hij zijn handen vrij om toch ook zijn ambtelijke arbeid te verrichten. Niet eens zo stichtelijk allemaal, want hij werd bijvoorbeeld geroepen de onverzoenlijke Reyer ’d Jonge, die met een broeder op de vuist was gegaan, onder censuur te zetten.

Ook de burgemeester en de schout moest hij terechtwijzen omdat ze hun ambt niet waardig uitvoerden, „waerdoere onder de gemeinte groete opspraeck koemt.” Ook maakte hij een reis naar Engeland om een beroep uit te brengen op IJsbrandt Balck – een beroep dat later trouwens ongedaan werd gemaakt vanwege geconstateerde dwalingen.

In de colleges boterde het ook toen niet altijd. Zo werd Jan Canin op de vingers getikt vanwege zijn kritiek op ds. Christianus Sinapius Venlo. Als hij iets tegen de predikant had moest hij hem „nae den regel Christi” aanspreken.

Overigens was bekend dat Venlo driftig was en een zwak had voor alcoholische dranken. Ook met Lipsius –de eerste predikant– had hij in 1577 een conflict. Blijkbaar lag de oorzaak bij de predikant, want hem werd het avondmaal onthouden tenzij hij zich met Jan Canin verzoende. Was het een slip of the pen of was het met voorbedachten rade dat de notulist van de kerkenraadsnotulen „Jan Cain” schreef in plaats van „Jan Canin”? Laten we het maar op een vergissing houden. Zelf zal Jan de notulen niet hebben gelezen. Anders zou hij –accuraat als hij was met letters– een correctie hebben laten aanbrengen.