Kerkhistorie met een knipoog: Overlopers in Goes

beeld ANP

In de loop der tijden hebben duizenden voorgangers de kerk des Heeren gediend. Van slechts enkelen blijft de naam in de collectieve herinnering voortleven. Wie aan de Afscheiding van 1834 denkt, krijgt direct de namen van De Cock, Brummelkamp, Buddingh, Scholte en Van Raalte voor de geest. Maar wie heeft er ooit gehoord van ds. Adriaen de Bruyne (1810-1888)?

In een beduimeld, ongedateerd boekje vond ik zijn dagboek, uitgegeven door zijn kleindochter P. J. Oggel-de Bruyne. Een boekje vol curiosa. De Bruyne, een boerenzoon, kocht als jongeman een molen en werd dus „koornmolenaar.” Hoewel hij lid was van de Hervormde Kerk ging hij met een vriend naar de kerstdienst in de afgescheiden gemeente. Zijn „brave en kerkelijk stipte huisvrouw” verweet hem zeer „deze reis naar de scheurkerke.”

In 1838 had de aanvankelijk hervormde ds. Buddingh (uit Biggekerke), in Goes (Ter Goes) de afgescheiden gemeente gesticht. Buddingh was „welsprekende” en bij het kerkvolk „zeer gevierd.” Hij had zo zijn eigenaardigheden: als het zingen hem niet beviel, riep hij: „Overdoen menschen!” Hij was ook een „hyperindividualist” (dr. J. C. Westerling). Ook De Bruyne ging over naar de afgescheiden gemeente. Toen hij 34 jaar oud was, moest hij de korenmolen prijsgeven omdat hij een roeping kreeg tot het ambt van predikant.

De eerste afgescheiden dominees kregen in die dagen „een gebrekkige”, zelfs „treurige” opleiding. In het geval van De Bruyne ten huize van ds. Brummelkamp in Arnhem. Brummelkamp liet de studenten al vroeg voor zich preken vanwege drukke ambtelijke bezigheden.

Toen de landverhuizing naar Amerika van de afgescheidenen met hun predikers Scholte en Van Raalte plaatsvond, ging De Bruyne na uitdrukkelijke vermaning van zijn moeder niet mee. Wel droeg hij in 1846 pontificaal de reismantel van Van Raalte naar de stoomboot. Vandaar de titel van het boekje ”Ik nu droeg zijn eerwaardes reismantel”. En uiteindelijk werd hij dominee in de plaats waar hij vandaan kwam, Ter Goes, het centrum van de Zeeuwse Afscheiding. Hij kreeg er „een zware gemeente”, kennelijk buiten het paradijs. Soms bestonden kerkenraadsvergaderingen uit opening, psalmgezang, Schriftlezing, het tellen der collecte en, „niets meer aan de orde zijnde”, de sluiting. Maar dat waren nu juist de „recht genoegelijke vergaderingen.” Censura morum heette bij de ouderlingen „sensuur Amori” (amor is liefde!). Tuchtzaken, vooral over zedeloosheid of diefstal, kwamen voor het voetlicht. Een koetsier bijvoorbeeld beijverde zich om drinkgelegenheden binnen te lopen, om te zien of er gegadigden waren voor zijn koets. De speurneus van de koetsier was echter „van een bedenkelijke couleur.”

Maar nu terug naar ds. Buddingh. Na veel rusteloze omzwervingen in Amerika kwam hij in Goes als dubbel afgescheiden dominee, namelijk in een „vrije gemeente” naast de afgescheiden gemeente die hij zelf had gesticht. Bij De Bruyne liep de kerk toen leeg. En Buddingh bad nota bene of zijn „afgescheiden collega” de genade mocht ontvangen om dit kruis –„van de overloopers zeker!”, somberde De Bruyne– gewillig te dragen. De Bruyne werd toen –óók nota bene!– getroost door het verbond als hij in de verte de oude Veersche Domtoren zag.

Ach, hoeveel allang vergeten dominees zouden het kruis van overlopers naar „meerderen” dan zijzelf al niet hebben gedragen?