Kerkhistorie met een knipoog: Oefening in afhankelijkheid

Wulfert Floor. beeld EMG

„Was Wulfert Floor een oudvader?” Deze vraag werd mij eens gesteld. Mijn antwoord was ontkennend. Hij was oefenaar.

Een van de definities die ik vond doet nog het meeste recht aan het begrip oefenaar: „Lid van de (kerkelijke) gemeente, dat op verzoek van een plaatselijke kerk van de classis bevoegdheid krijgt om te oefenen, dat is een stichtelijk woord te spreken ter onderrichting, vertroosting en vermaning.” En toch dekt deze vlag de lading niet helemaal. Er zijn heel wat oefenaars geweest die geen enkele bevoegdheid kregen. Van wie dan ook. Ze begonnen in een huiskamer of een schuurtje voor een handjevol familie en vrienden Gods Woord te verklaren. Soms geheel naar eigen inzicht.

Floor ging naast zijn landbouwerschap voor in de prediking. Misschien is hij wel de meest bekende oefenaar, ook vanwege de uitgegeven bundels ”Al de eenvoudige oefeningen”. Inderdaad, eenvoudig. Maar tegelijk Schriftuurlijk-bevindelijk.

Ik herinner me een boekenveiling bij Ton Bolland. In het overvolle zaaltje aan de Prinsengracht 493 in hartje Amsterdam kwam een complete serie van ”Al de eenvoudige oefeningen” onder de hamer. De boeken dreigden onverkocht te blijven. Achter mij zaten vier, vijf studenten van een theologische universiteit. Bolland herkende hen. „Iets voor jullie?” Het antwoord liet niets aan duidelijkheid over: „Dank u, het zijn mij al te eenvoudige oefeningen.” En toch was en is ‘Floortje’ nog steeds geliefd en veelgelezen.

Ze zijn er eeuwen door geweest: lekenprekers, ziekentroosters, oefenende catechiseermeesters. Mannen als Lambertus Myseras. Later kwamen er officieel aangestelde godsdienstonderwijzers. In de tweede helft van de vorige eeuw konden hulppredikers en catecheten door een overgangsregeling binnen de Nederlandse Hervormde Kerk alsnog predikant in volle rechten worden.

Enkele kerkgenootschappen kennen de status van lerend ouderling. De bekende voorganger H. Bor (christelijke gereformeerde kerk Poederoijen) is er een van. In de Gereformeerde Gemeenten zijn ze er allang niet meer. L. Wijting (1873-1959), Marinus Remeijn (1858-1937) en H. van Schothorst (1865-1938) bleven oefenaar, net als Dirk Hoksbergen –in Kampen– en Jan Vader –in Aagtekerke/Meliskerke– een eeuw eerder. G. H. Kersten begon in laatstgenoemde plaats als oefenaar, Cornelis Pieneman in Opheusden. En Jan Willem Vijgeboom heeft als oefenaar zegenrijk werk verricht in Zeeuws-Vlaanderen. Meer namen vindt men in de vijfdelige serie ”Predikanten en Oefenaars”.

Ze waren er, vooral in de nadagen van de Afscheiding, te kust en te keur. In grote delen van ons land. Exegetisch was het niet altijd even verantwoord wat ze naar voren brachten. Inlegkunde kleurde nogal eens hun oefeningen. De goeden niet te na gesproken werd er dikwijls onvoldoende gestudeerd. Begrijpelijk; de meeste oefenaars hadden naast het oefenaarschap een werkkring, soms een zwaar bestaan en ook nog een groot gezin te onderhouden.

Waar oefenaars in de oude betekenis verdwenen zijn, zal als het goed is elke prediker, hetzij beginnend proponent of gevorderde zeergeleerde dominee, bij de preekvoorbereiding weten wat oefenen is. Zichzelf oefenen in het allerheiligst geloof. In afhankelijkheid.

In Rotterdam was er een oefenaar die zijn onbekwaamheid en afhankelijkheid in elke kerkdienst beleed. Dan liet hij steevast zingen, steeds weer opnieuw, ”Och Heer’ geef thans Uw zegeningen” (Psalm 118:12). De naam van deze oefenaar? Johannes Thans.