Jumpen en stunten in de Clemenskerk

Voormalige Clemenskerk te Hilversum. beeld RD, Anton Dommerholt
3

Steeds vaker is een kerkgebouw geen kerk meer, alleen nog een gebouw. Dan kan zo’n gebouw kennelijk ook wel theater worden, fitnesscentrum of café. Zou sloop in zo’n geval tóch niet een betere optie zijn? En hoe ziet een kerk eruit die verbouwd is tot trampolinepark?

Midden in de Bloemenbuurt in Hilversum staat de voormalige Clemenskerk. De stenen kolos uit 1914 verrijst hoog en donker boven de huizen. Rechts van de kerk woonde lang geleden meneer pastoor. De Clemenskerk doet al sinds 1996 geen dienst meer als parochiekerk. Het rijke roomse leven is voorbij. Binnen in de kerk is sinds kort een trampolinepark gevestigd. De website roept: „Kom je ook jumpen, freerunnen, stunten en chillen in de Clemenskerk?”

Achter de kerk staat de Paulusschool. Op het schoolplein wacht een moeder op haar kinderen. Wat ze ervan vindt, trampolinespringen in de kerk? „Jammer is dat. Ik vind het niet kunnen. Maar wat moet je anders met zo’n enorme kerk? Slopen kan niet, vind ik. Maar dit kan ook niet.”

De voordeuren van de kerk, onder de grote luifel, zijn gesloten. De achterdeur is open. Jacqueline Kouer (27), de manager van het springpark, staat achter de balie, op de plaats waar ooit het altaar stond. In het koorgedeelte staan zitjes. De schoenen moeten uit. Onder het hoge kerkdak staan meer dan twintig trampolines in soorten en maten. De in de kerk aanwezige Mariakapel is op zondag open voor een moment van bezinning.

Plafondschilderingen en glas-in-loodramen, met figuren van heiligen en apostelen, zijn bewaard gebleven, ”Gloria in excelsis” staat op een van de ramen. Op een ander raam staat Mozes met de Tien Geboden. Het Steinmeyer-orgel is verdwenen. Dat staat nu in de Koepelkerk in Bussum.

In de grote open ruimte springen kinderen en maken salto’s tussen bakstenen pijlers. Het trampolinepark ”Flight Deck 53” wil een oplossing bieden voor een tekort aan speelplekken in de buurt. En de gemeente Hilversum vond het idee van een springpark in de kerk een goed idee om de jeugd aan het bewegen te krijgen.

Kouer vindt een springpark in de kerk ook een mooie gedachte. „Er is veel aan het verschuiven in Nederland. Leegstaande kerken vormen een steeds groter maatschappelijk probleem. Zo’n hoge kerk als de Clemenskerk is qua verwarming te duur voor veel andere doeleinden. Een springpark kan heel goed, want kinderen springen zichzelf wel warm. De kerk is een rijksmonument en heeft nu tenminste weer een maatschappelijke functie. Je kunt hier springen en jumpen, een kinderfeestje geven en op zaterdag is er kinderdisco. Maar ik begrijp ook wel dat het voor sommige ouderen een beetje schakelen is.”

Sommigen vinden slopen dan toch een betere optie.

„Slopen zou pas echt jammer zijn. Ik zie hier kinderen die zeggen: „Nu kom ik voor het eerst in een kerk.””

Buiten staat Muzaffer, een moslim. Wat vindt hij van een springpark in een kerk? „Dit kan niet. Zoek dan een maatschappelijke functie voor zo’n gebouw. Maak er een buurthuis van, of een opvangcentrum. Dit is een religieus gebouw. Dat mag je niet voor de lol gebruiken.”

Ds. W. Harinck en A. van der Heiden. beeld RD, Anton Dommerholt

Een stem van geween, een stem van vreugde

De gereformeerde gemeente te Utrecht kerkte ruim veertig jaar in de Westerkerk aan de Catharijnekade, van 1967 tot januari 2018. Door verkeersmaatregelen en de parkeerproblematiek in de binnenstad dreigde het kerkgebouw onbereikbaar te worden. In de Westerkerk bevindt zich inmiddels Hotel Bunk. De gemeente komt nu bijeen in de Nieuwe Westerkerk in Leidsche Rijn.

In de consistorie van de nieuwe kerk zitten ds. W. Harinck en ouderling A. van der Heiden. Ds. Harinck dient de gemeente sinds juli 2018. Van der Heiden maakte deel uit van de commissie ”Locatie Kerk”, die de overgang van de oude naar de nieuwe kerk begeleidde.

In 1967 nam de gereformeerde gemeente de Westerkerk in gebruik. „Nauwelijks tien jaar later riep de kerkenraad al een commissie in het leven die moest gaan onderzoeken of de gemeente wel in de binnenstad kon blijven”, zegt Van der Heiden. „Dit vraagstuk keerde in de decennia die volgden regelmatig terug op de agenda.”

Gemeenteleden woonden voor een groot deel buiten de stad. Kerkgangers kwamen op zondag dus met de auto naar de kerk, maar de bereikbaarheid van de Westerkerk werd een groeiend probleem. De algehele invoering van de koopzondagen in 2013 zorgde ervoor dat het bezinningsproces in een stroomversnelling raakte.

Het ledental van de gemeente liep gaandeweg terug tot zo’n 400 leden. Van der Heiden: „De Westerkerk bood ruimte aan meer dan 1000 kerkgangers. Het gebouw paste niet meer bij de gemeente. Ook de kosten van onderhoud en energie zouden op termijn de financiële draagkracht van de gemeente overstijgen. Ons uitgangspunt is altijd geweest de voortgang en de instandhouding van de gemeente in de stad Utrecht. Dat woog ons zwaarder dan de vraag hoe we het gebouw in stand konden houden.”

Het verlaten van de Westerkerk gaf de gemeente veel weemoed, zegt ds. Harinck. „In 1967 heeft mijn vader, ds. C. Harinck, de kerk in gebruik genomen met een preek over Haggaï 2:10: „En in deze plaats zal ik vrede geven.” Dat heeft de Heere ook gedaan in het leven van mensen, vrede gegeven door het bloed van het kruis. De verkoop van de kerk heeft niet voor niets velen pijn gedaan.”

De Westerkerk is een gemeentelijk monument en kon dus niet gesloopt worden. Het stadsbestuur stelde eisen aan de herbestemming ervan en was nauw betrokken bij de toetsing van de plannen van potentiële kopers. Men wilde het gebouw bewaren als religieus erfgoed, om blijvend te laten zien: dit was ooit een kerkgebouw.

Bij de verkoop zijn door de kerkenraad een aantal onethische zaken benoemd die bij een nieuwe bestemming uitgesloten werden. Het gebouw mocht bijvoorbeeld geen wapenwinkel worden, geen casino en geen nachtclub. Ds. Harinck: „Tegelijkertijd geef je een gebouw wel uit handen en zijn de nieuwe eigenaren verantwoordelijk.”

Ds. Harinck heeft het gewaardeerd dat de stad Utrecht het gebouw wilde behouden. „Een leegstaande kerk laat zien dat op die plaats een geloofsgemeenschap bijeen gekomen is. Het laat ook de voortgaande secularisatie van Nederland zien.”

Voor de toekomst van de Westerkerk bleven twee mogelijkheden over. Er mochten appartementen in worden gerealiseerd. Of het kon een hotelfunctie krijgen. Uiteindelijk werd de kerk verbouwd tot hotel.

Eerder dit jaar opende Hotel Bunk de deuren van de voormalige Westerkerk. De buitenzijde bleef ongewijzigd. Binnen was het gebouw veranderd in „ontmoetingsruimte, borrelspot en buurthuis 2.0”. In de vroegere kerkruimte klinkt nu bescheiden jazzmuziek uit de speakers. Er staat een bar. Er wordt bier geschonken. En daarboven bevinden zich de hotelkamers. Op de plaats waar de preekstoel stond, is een kunstwerk aangebracht. Het heet ”Trinity”. Drie-eenheid.

Ds. Harinck: „De nieuwe eigenaar heeft met het kunstwerk op een integere wijze iets van het religieuze verleden willen bewaren. Voor ons was het toch een uiting van de doorschietende secularisatie in ons land. Het werkte des te meer vervreemdend.”

Had het allemaal anders gekund? Van der Heiden: „Een nieuwe religieuze bestemming zou natuurlijk de voorkeur hebben gehad, hoewel het ook pijn zou hebben gedaan als de Bijbelse boodschap en de dienst van de Heere een heel andere invulling zouden hebben gekregen. Maar zo’n mogelijkheid diende zich in Utrecht niet eens aan.”

Ds. Harinck wil de waarde van een kerkgebouw ook wat nuanceren: „Als de Samaritaanse vrouw aan de Heere Jezus vraagt waar men God moet aanbidden, zegt Hij niet dat dat dáár of dáár moet gebeuren, maar dat de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid. Het gaat niet om het gebouw, maar om ons hart, of dat recht is voor God.”

De Utrechtse kerkenraad is dankbaar dat de gemeente in de stad kon blijven. Van der Heiden: „We wilden de gemeente in de stad voortzetten. We zijn niet uit Utrecht vertrokken. We zijn gebleven.”

Ds. Harinck: „De gemeente mag er nog zijn. Niet meer aan de Catharijnekade, maar in Leidsche Rijn. Er is een stem van geween om het oude Godshuis, er is ook een stem van vreugde om de nieuwe Westerkerk.”

Ds. P. L. de Jong. beeld RD, Anton Dommerholt

„Een kerkgebouw heeft een ziel”

Laat een kerkgebouw liever afbreken dan het te verkopen aan de ijsbaanboer. Dat pleidooi hield ds. P. L. de Jong, emeritus predikant in de Protestantse Kerk in Nederland, onlangs in een column in het Christelijk Weekblad „Waarom niet afbreken als het nauwelijks een monument is? Ik neig steeds meer naar afbreken dan naar herbestemmen. Afbreken doet pijn, maar een afgebroken kerk is op zich ook een monument. Van leegte. Het heeft iets van: Hier was God”, schreef ds. Jong.

Sinds zijn emeritaat woont ds. De Jong aan de Beukelsdijk in Rotterdam. Zijn studeerkamer bevindt zich op één hoog. Zijn werktafel is omgeven door wanden vol met boeken. Op de vloer zijn stapels papieren opgetast. Op een tafeltje staat een oude pick-up. Daar bovenop ligt een zwarte hoed met een bruine band.

Ds. Jong weet van een voormalig kerkgebouw in Gouda waarin een ondernemer een ijsbaan exploiteert: „Een oud kerkgebouw heeft genoeg gangen om te oefenen in het ronden van bochten. En bij dreigend vallen kun je je wellicht vastgrijpen aan een oud stuk doophek. Heel praktisch dus. Heel stuitend ook.”

Opeens drong de vraag zich op: Is herbestemmen van kerkgebouwen wel zo’n goede optie? „Verkoop de kerk in elk geval niet aan de ijsbaanboer. Dan liever kiezen voor de sloop.”

Ds. De Jong heeft al heel wat kerken gesloopt zien worden. „In afgescheiden kringen zag je de laatste decennia nogal eens dat het oude kerkje, het schuurtje aan de dijk zeg maar, te klein was geworden. Het was niet functioneel meer, er was geen ruimte voor verenigingen. Er kwam een nieuwe kerk en dus werd het oude schuurtje afgebroken en de grond misschien wel duur verkocht. Niet verkeerd toch?”

Ook in Rotterdam zijn veel kerken verdwenen. Dát ging ds. De Jong wel erg aan het hart. „Hoeveel kerken zijn er al niet verdwenen uit het stadsbeeld? Maar vooral in de grote stad moeten we niet vergeten dat onze God die gebouwen wel weer eens nodig kan hebben, want de stad wordt steeds religieuzer. Al die donkere mensen hier op straat zijn diep religieus. Het geloof keert terug in Rotterdam. Het diepste verlangen van ieder mens gaat uit naar iets dat alles overstijgt, naar de aanwezigheid van God. Ik hoop daar op. Ik bid er om. Dus in de stad niet al te gauw kerken afbreken.”

In een kerkgebouw zit een ziel, zegt ds. De Jong. „Ik ben niet rooms en besef dat een gebouw slechts uit hout en steen bestaat, maar waar ooit het Woord van God is verkondigd, waar de eucharistie is gevierd, waar het heilig avondmaal is bediend, dat is een heilige plek. Jakob zou zeggen: „Dit is de poort des hemels.” Dat is natuurlijk niet helemaal waar, maar ik kan Jakob wel begrijpen: In een kerkgebouw zit een ziel. Als je goed luistert, hoor je de Geest van God fluisteren: „Dit is de poort des hemels.””

Als een kerkelijke gemeenschap ophoudt te bestaan, zou zij allereerst moeten proberen het kerkgebouw te behouden, zegt ds. De Jong. „Zoek er een andere religieuze bestemming voor. Verkoop het aan een christelijke gemeenschap, aan de pinkstergemeente, aan de moslims voor mijn part, maar maak er geen ijsbaan of dansschool van. Een bibliotheek of een mooie boekhandel is ook goed, maar blijf beseffen dat het vroeger de werkplaats van Gods Geest was, waar mensen de eeuwige stem hebben gehoord.”

Met een gebouw waar God geweest is, kun je niet van alles doen, vindt ds. De Jong. „Geen café of een Leen Bakker in een kerk dus. Ook geen bed and breakfast. Het is toch vreselijk als je wakker wordt in een bed onder de kerkgewelven. En buiten ligt misschien nog het kerkhof. Dat voelt niet happy. Ook geen restaurant alsjeblieft. Ga niet zitten dineren op de plek waar eens kindjes werden gedoopt en waar nu foute muziek wordt gespeeld. Ga niet borrelen in een ruimte waar de ernst nog tussen de pilaren hangt. Heb respect voor een gebouw waar gebeden is, waar Gods Naam is aangeroepen, waar mensen het Woord hebben opgezogen. Dan denk ik: Als je gebouw toch geen monumentenstatus heeft, zet dan de bulldozer er maar tegenaan, jazeker, met alle verdriet vandien.”