In memoriam Willem Barnard (1920-2010)

Dichter-dominee Willem Barnard (90) is overleden. Foto Sjaak Verboom Sjaak Verboom

UTRECHT – De gisteren overleden theoloog, dichter en schrijver Willem Barnard nam, vooral als dichter, in kerkelijk Nederland en daarbuiten een grote plaats in.

Welke positie hij precies innam, is echter moeilijk te zeggen. Want Barnard liet zich niet in een hokje stoppen. Hij theologiseerde graag onorthodox, terwijl hij zichzelf veel orthodoxer voelde dan de meeste theologen. Hij was eigenzinnig in zijn opvattingen, maar vrijzinnigen konden niet met hem uit de voeten. Hij was protestants predikant, maar kwam uiteindelijk vanwege de symboliek en de liturgie terecht bij de Oud Katholieke Kerk.

Decennialang liet Barnard het volk weten op welke manier hij wenste te geloven: zingenderwijs. Nog onlangs, toen in Utrecht ter ere van zijn 90e verjaardag een cd met twintig van zijn liederen aan hem werd overhandigd, kwam het eruit: „Ik zing bij voorkeur, omdat zingen een verhevigde vorm van spreken is.” Eerder verwoordde hij het graag zo: „Ik zing niet om te uiten maar om al zingende te innen. Ik zing uit ademnood.”

Wilhelmus Barnard, geboren op 15 augustus 1920 in Rotterdam, studeerde letteren (Leiden) en theologie (Utrecht). Als hervormd (hulp)predikant werkte hij vanaf 1946 met tussenpozen in Hardenberg, Nijmegen, Amsterdam en Rozendaal (Gld.). In 1975 ging hij wegens gezondheidsredenen vervroegd met emeritaat.

Intussen had Barnard ontdekt dat zijn hart niet zozeer bij het predikantschap als wel bij het dichterschap lag. Als jongen van 16 begon hij al met het schrijven van poëzie. Tijdens de oorlogsjaren publiceerde hij in ondergrondse blaadjes zijn eerste gedichten, onder de schuilnaam Guillaume van der Graft. Na de oorlog verscheen zijn eerste dichtbundel: ”In Exilio” (in ballingschap). Er zouden er nog talloze volgen. Drie jaar geleden gaf Barnard in ”Praten tegen langzaam water” zijn beste gedichten uit de periode 1942-2007 uit.

Tijdens zijn Amsterdamse periode raakte Barnard als studiesecretaris van de dr. G. van der Leeuwstichting betrokken bij de liturgische broedplaats in de Maranathakerk. Samen met musicus Frits Mehrtens en de predikant W. G. Overbosch zette hij de zogenaamde Nocturnen op: avondvieringen op dinsdagavond. Ten behoeve van deze liturgische vieringen schreef Barnard tal van kerkliedteksten.

Intussen werkte Barnard vanaf de jaren 50 samen met dichters als Ad den Besten, Jan Willem Schulte Nordholt en Jan Wit als ”het Landvolk” aan de nieuwe psalmberijming, die in 1967 verscheen. Vanaf 1959 ging ”het Landvolk” zich ook actief bezighouden met Bijbelliederen en andere gezangen. In dat kader schreef en vertaalde Barnard een groot aantal kerkliederen. In het Liedboek voor de kerken (1973) werden 76 van zijn liederen opgenomen. Zijn ”Verzamelde Liederen” uit 1986 bevat 267 liedteksten.

Naast zijn werk als dichter was Barnard ook op andere terreinen publicitair actief. Hij schreef toneelteksten, werkte als vertaler, publiceerde liturgische jaargangen, peinsde bij psalmen en legde zijn dagelijkse beslommeringen vast in dagboeknotities. Van zijn dagboeken tussen 1945 en 2005 verscheen vorig jaar een verzameling: ”Een zon diep in de nacht”.

Al in de jaren 50 raakte Barnard onder de bekoring van de anglicaanse liturgie – hij bezocht Engeland en woonde er in 1956 zelfs een tijd. Bij de anglicanen vond hij, zo verwoordde hij later, de synthese tussen poëzie en geloof. „In de Church of England kwamen die dingen ineens bij elkaar. Daar was aandacht voor liturgie, symbooltaal, poëzie, schoonheid. Dat was wat ik zocht, daarin kon ik mijn geloof beleven en ook de poëzie met dat geloof verbinden.” In Nederland vond Barnard uiteindelijk bij de Oud Katholieke Kerk wat hem in de anglicanen aantrok.

Barnard trouwde in 1946 met Katinka, die in zijn latere gedichten veelvuldig voorkomt. Samen kregen ze twee dochters en een zoon. In 1995 overleed Katinka.

Drie jaar geleden leek Barnards levenseinde te naderen. Hij zag de dood in de ogen. Hij krabbelde echter weer op, kon weer gedichten maken en stukjes schrijven. In een interview met deze krant vertelde hij nadien hoe hij tegen het levenseinde aankeek. „Veel mensen weten heel ontroerend over het leven na dit leven te spreken, maar ik kan dat niet zo. Ik ben ervan overtuigd: we worden niet in de steek gelaten, er is een opstanding, maar wat en hoe en wanneer? Dat is ons niet geopenbaard. Ik weet het niet, echt niet.”