In memoriam Herman Natzijl: dienstbaar in kerkhistorie

Herman Natzijl (1938-2019). beeld RD, Anton Dommerholt

„Vriendelijk, innemend, spontaan, bekwaam, hartelijk, werkzaam.” Zo typeerde prof. dr. W. van ’t Spijker in 2002 Herman Natzijl tijdens het symposium in verband met diens afscheid.

Prof. Van ’t Spijker had die eigenschappen heel wat keren van nabij gezien. Bijvoorbeeld rond uitgaven over de Synode van Dordrecht, de Nadere Reformatie en de Synode van Westminster. Drie onderwerpen waarin Natzijl zich had verdiept. Er waren méér kerkhistorische onderwerpen waar hij veel van wist. Bijvoorbeeld Ledeboer.

Ledeboer, daar hoorde hij al in zijn jeugd over, ook van zijn opa Aart Labee. „Een godvrezende man, een ouderwetse ledeboeriaan”, zo omschreef hij zijn opa. Dan ging het vooral over de inhoudelijke dingen.

In 1977 verscheen de delen 1 en 2 van de ”Verzamelde geschriften van ds. L. G. C. Ledeboer”. Deel 3 verscheen drie jaar later, en de titel luidde iets anders: ”Verzamelde geschriften over ds. L. G. C. Ledeboer”. De samenstelling van dat laatste deel is veel werk geweest. Zijn vrouw Ina moest in die tijd soms wel drie keer iets vragen voordat ze antwoord kreeg. Dat ontlokte haar eens de opmerking: „Jij bent meer bezig met mensen die overleden zijn dan met mensen die nog leven.”

Toen hij 1979 in dienst trad van uitgeverij Den Hertog, werd hij direct geconfronteerd met een overstelpende hoeveelheid werk. In korte tijd heeft hij veel tot stand kunnen brengen. In 1980 nam hij het initiatief voor de uitgave van de vijfdelige serie ”Predikanten en oefenaars”. Daarnaast zagen levensbeschrijvingen het licht, die ook van kerkhistorisch belang waren. Het gezelschapsleven in de Alblasserwaard had zijn bijzondere belangstelling.

Jarenlang zaten we tegenover elkaar. We hadden veel dingen gemeen, niet alleen wat interesses betreft. Zo waren er zaken die ons beiden diep ontroerden, maar ook waren er dingen waarover we uitbundig lachten, soms tot verbazing van de omgeving, die vond dat er niets te lachen viel.

Herman Natzijl heeft zijn werk gedaan in het besef van wat hij in 2002 onder woorden bracht: „Ik ben bezig geweest met dingen van eeuwigheidswaarde, met dingen van hogere waarde dan dit vergankelijke leven. Ik ben blij dat ik dit werk heb mogen doen, maar met alle stichtelijke boeken kunnen we voor God niet bestaan. Ook al weet je dat je boeken voor anderen wel eens tot zegen zijn geweest, dan heb je zelf nog niets verdiend. Je bent zelf niks beter. Alle mooie boekjes vergaan. Zijn Woord alleen houdt stand.”

Met weemoed en dankbaarheid gedenken we Herman Natzijl.