Hoe de hugenoten door Zwitserland vluchtten

Bij Aarburg beëindigden de geloofsvluchtelingen hun reis over de Aare en trokken over het land verder, om het rooms-katholieke kanton Solothurn heen. beeld Wim Eradus
3

Op hun tocht door Zwitserland gebruikten de hugenoten het liefst waterwegen. Maar dat was niet zonder gevaar, getuige de schipbreuk op de Aare waarbij 111 vluchtende hugenoten verdronken.

Dat zei dr. Margrit Wick op de jaarvergadering van de Zwitserse vereniging Hugenoten- en Waldenserweg vorige maand in Aarau. „In de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd verkeerden de wegen –niet alleen in Zwitserland– in een ellendige staat. Van het eens zo goed ontwikkelde Romeinse wegennet was niet veel meer over. Zelfs de grotere wegen waren moeilijk met karren te berijden en vaak onbegaanbaar na lange periodes van regen of sneeuw en dooi.”

Een beter alternatief waren de waterwegen. Op de Zwitserse rivieren en meren was scheepvaart in de eerste plaats een middel om goederen te vervoeren. Er waren aanvankelijk geen passagiersschepen. Wick: „Als je per schip wilde reizen, moest je proberen om een plaats op een goederenschip te bemachtigen.”

Het meest gebruikte type schip was de ”weidling”, een wendbare platte boot tot zo’n 13 meter lang die al in de middeleeuwen werd gebruikt. „Met snelheden tot 16 kilometer per uur stroomafwaarts was je dus sneller dan te voet of per muilezel. Begrijpelijk dat de hugenotengezinnen met hun bepakking wel mee wilden varen.”

Maar dat was niet zonder risico’s, zei Wick. „Vooral de waterroute over de Aare tussen Aarberg en Büren was bijzonder gevaarlijk. Op 5 september 1687 ging het daar goed mis. Twee samengebonden boten, zwaar beladen met 137 hugenotenvluchtelingen aan boord, voeren richting Büren. Een van de schepen botste ter hoogte van Lyss tegen een in het water liggende boomstronk, viel uit elkaar en zonk. Toen de passagiers in de andere boot wilden klimmen, kapseisde die en verdween in het kolkende water: 111 hugenoten verdronken, slechts 26 konden er worden gered. De grootste scheepsramp in de Zwitserse geschiedenis. Volgens rapporten waren de twee schepen zwaar overbelast. Daarbij waren de scheepslieden ook dronken.”

Wick voegde daaraan toe dat het in het verleden gebruikelijk was dat de bemanningsleden het recht hadden om een bepaalde hoeveelheid van de vervoerde goederen (wijn, kaas) te consumeren. Maar dit leidde tot misbruik en werd later verboden. Toch hebben de schippers vaak wijn uit de vaten getapt en de ontbrekende hoeveelheid met water bijgevuld.

Naar schatting 60.000 ballingen doorkruisten tussen ongeveer 1660 en 1750 Zwitserland, op weg naar Duitsland. Het aantal vluchtelingen kende een duidelijke concentratie in de jaren na de herroeping van het Edict van Nantes, tussen 1686 en 1700.

Historici, onder wie dr. Wick, hebben de verschillende routes nagepluisd die de hugenoten en later ook de waldenzen namen op hun vlucht naar veiliger oorden.

Het eerste verzamelpunt in de Zwitserse Confederatie was Genève, de stad van de zestiende-eeuwse kerkhervormer Johannes Calvijn. Daar werden de geloofsgenoten uit solidariteit gastvrij opgevangen, maar daarna doorgestuurd naar het eveneens protestantse Bern. Het machtsgebied van Bern was destijds groot en strekte zich uit van het Meer van Genève tot bijna de Rijn.

Veel vluchtelingen staken per boot het Meer van Genève over, om dan de reis via plaatsen als Morges en Lausanne met een noordelijke boog langs de Jura voort te zetten richting Bern. Veelal via meren, zoals het Meer van Neuchâtel en in het bijzonder via de rivier de Aare.

Na Bern kon de reis opnieuw worden voortgezet via de Aare. Maar die voerde naar het eveneens rooms-katholieke kanton Solothurn. Wick: „Volgens de publieke opinie –en lange tijd dacht ik dat ook– betekende de reis door het kanton Solothurn een groot gevaar, omdat de ambassadeur uit Frankrijk opdracht had gekregen om de vluchtelingen tegen te houden en terug te sturen, dus naar de gevangenissen en de galeien. Een waar schrikbeeld. Maar bij nader inzien viel dit toch mee.”

Ze legde uit dat de autoriteiten van Solothurn, net als in andere rooms-katholieke gebieden, niet bepaald enthousiast waren over de vloedgolf van Franse protestanten. De vriendschap met Bern, hun buren, was echter veel belangrijker voor hen. Solothurn vroeg Bern daarom alleen maar om ervoor te zorgen dat de vluchtelingen zo snel mogelijk doorreisden.

De hugenoten en waldenzen beëindigden bij de grensplaats Aarburg hun vaartocht en gingen over land verder richting de Rijn. Die zou hen stroomafwaarts via Bazel of Schaffhausen in Duitsland en zelfs verder brengen.

Hugenoten- en Waldenzenpad

Het Europese Hugenoten- en Waldenzenpad volgt de routes die de protestantse geloofsvluchtelingen uit Frankrijk en Italië in de 17e eeuw volgden op zoek naar veiliger oorden.

Het oorspronkelijk 1800 kilometer lange pad loopt van het Franse hugenotenplaatsje Le Poët Laval in de Drôme richting Genève, vervolgens door Zwitserland naar Bazel en vooral Schaffhausen, om in Duitsland de route langs een groot aantal vluchtelingenkolonies te vervolgen naar het eindpunt in Bad Karlshafen, dat indertijd speciaal voor de hugenoten werd gebouwd. Ook de vluchtwegen van de waldenzen uit Piëmont in Noord-Italië sluiten aan op het hugenotenpad.

De Europese Unie ondersteunde dit initiatief met financiële middelen vanuit de gedachte was dat zo’n grensoverschrijdend themapad, met tolerantie en integratie als uitgangspunt, de internationale samenwerking binnen Europa zal bevorderen.

De Franse en Duitse trajecten van de wandelroute zijn inmiddels klaar. Het Zwitserse traject is ook vastgelegd, maar nog niet klaar. Het pad is in Frankrijk met 200 kilometer verlengd tot aan het Musée du Désert bij Mialet in de Cevennen. Daarmee komt de totale lengte op 2000 kilometer.

hugenotten-waldenserpfad.eu