Het theekopje van ds. Hendrik de Cock

Jan Noorlandt (l.) en Machiel Vennik, medewerkers van het Documentatiecentrum van de Christelijke Gereformeerde Kerken. beeld Niek Stam
4

Duizenden preken op cassettebandjes, ontelbare krantenknipsels. Persoonlijke brieven van predikanten, antieke zendingsbusjes en een theekopje van Hendrik de Cock, de vader van de Afscheiding. Het Documentatiecentrum van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) in Veenendaal is eigenlijk te krap voor zo veel kerkelijke memorabilia.

Jan Noorlandt en Machiel Vennik zijn de mannen die alles wat ook maar iets met de CGK te maken heeft, verzamelen, ordenen, beschrijven en zo mogelijk digitaliseren. Ze weten precies de weg tussen alle dozen, ladeblokken en vitrinekasten van het Documentatiecentrum, dat 25 jaar bestaat. Ook aan de muren is geen plekje onbenut gelaten: er hangt een affiche van de Evangelisatie-landdag in Hilversum, met als spreker onder anderen prof. G. Wisse. De NCRV zendt de „middagvergadering” live uit. Daarnaast: een psalmbord van de in 1968 opgeheven kerk in Teuge. De koster noteerde met een krijtje de liederen die de gemeente moest zingen.

Dan is er nog een doopvont uit Zuidlaren, met de tekst Jesaja 43:1 erop. Op een kast staat een zwartgeblakerd kistje. Het overleefde nauwelijks het bombardement op Rotterdam in 1940. De synodestukken die erin zaten, waren verkoold maar zijn met nieuwe methoden toch leesbaar gemaakt.

Veilig

Noorlandt is als beheerder al vanaf het begin in 1992 bij het Documentatiecentrum betrokken. Als vrijwilliger, naast zijn baan als taalcoach en archivaris van de Christelijke Hogeschool Ede. De eerste kast met archiefmateriaal stond op het Diaconaal Bureau in Veenendaal; elf jaar geleden verhuisde het Documentatiecentrum naar Box Inn, een wat saai gebouw waarin mensen opslagruimte kunnen huren.

„Voor bezoekers is dit niet echt ideaal”, zegt Noorlandt verontschuldigend. „Het archief mag van de synode eigenlijk geen geld kosten. Maar: alles staat hier droog en veilig. En de ruimtes zijn flexibel. Dat is handig, want ons archief wordt steeds groter.”

Op een oppervlakte van 50 vierkante meter staat inmiddels meer dan 80 meter aan dozen met informatie over de Christelijke Gereformeerde Kerken. Over iedere gemeente en predikant is wel een miniarchief aangelegd. En dat allemaal is eigenlijk nog maar een topje van de ijsberg, want er is zo veel méér materiaal. „Alle wetenschappelijke publicaties horen in de Theologische Universiteit in Apeldoorn, de stukken van de generale synode liggen in andere archieven. Tot 1980 in Utrecht, vanaf 1980 in Rotterdam.”

Noorlandt loopt naar een kast met brieven, notities, collegedictaten en andere documenten van prof. dr. W. H. Velema. „Deze diverse stukken passen goed in onze collectie, dus we waren blij dat hij ze ons in vertrouwen schonk. De handschriften die privacygevoelig zijn, blijven zeventig jaar gesloten. Volgens de regels. Andere delen zijn openbaar. Iedereen kan ze hier voor onderzoek op afspraak komen bekijken.”

Hij trekt een map uit de kast. „Prof. Velema is een heel correct en nauwgezet man. Hij noteerde precies welke cadeautjes hij en zijn vrouw bij de geboorte van hun kinderen allemaal kregen, zoals kleren en eieren. En wie hij daarvoor nog moest bedanken.”

Preken

Het Documentatiecentrum heeft 23.000 preken op papier en op band. „Natuurlijk hoeven we niet van alle dominees alle preken te hebben”, zegt Noorlandt. „Maar we willen wel een goede afspiegeling hebben van de prediking in de Christelijke Gereformeerde Kerken.”

Ds. G. Blom, een van de predikanten die ruim vijftig jaar geleden aan de wieg van het tijdschrift Bewaar het Pand stonden, leidde meer dan honderd trouwdiensten. „Bij de huwelijkstekst bewaarde hij altijd een bewijsje van de burgerlijke overheid. Wie door ds. Blom is getrouwd, kan hier de preek komen lezen.”

Van ds. Blom zijn ook de beroepingsbrieven bewaard gebleven. „De meeste gemeenten schrijven meestal hoe mooi het bij ze is. Of hoe nodig het is dat hij komt. Er zijn ook brieven van individuele leden. Zoals van een vrouw uit Zaamslag die hem ontraadde te komen. „Het is hier een wespennest”, schreef ze. Ds. Blom nam het beroep niet aan.”

In een vitrinekast staan spaarpotjes voor de zending, boekenleggers en speldjes van de Bond van Christelijke Gereformeerde Jongelingsverenigingen. En het oudste voorwerp van het Documentatiecentrum: een theekop-en-schotel van ds. Hendrik de Cock, uit 1834. Wit met goudkleurige bloemen.

Er zijn ook geluidsfragmenten van de vormingscursussen voor gemeenteleden die de CGK ieder jaar verzorgen. Het interessantst daarvan zijn niet de lezingen, vindt Noorlandt. „Dat is het laatste kwartiertje: de beantwoording van de vragen. Zo wil iemand na een lezing over de dwalingen van H. M. Kuitert en H. Wiersinga van ds. J. H. Velema weten of alle leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland verloren gaan. Nee, dat niet. Maar je krijgt ook geen politiek correct antwoord. Reuze interessant voor historisch onderzoek.”

De collectie van Dick van Arkel uit Soest bevindt zich ook in het Documentatiecentrum. De Soestenaar verzamelde tussen 1960 en 1998 zo veel mogelijk informatie uit kranten en kerkbladen over de Christelijke Gereformeerde Kerken. Hij maakte foto’s van kerkgebouwen, legde dossiers aan per gemeente en kerkelijke organisatie. Noorlandt opent een van de plakboeken: Mijdrecht. In kolommen noteerde Van Arkel het verloop van het ledental, het beroepingswerk en de predikanten die de gemeente dienden, zoals ds. M. W. Nieuwenhuijze en ds. J. Breman. Van de „huidige predikant” destijds, ds. B. Reinders, is er een pasfoto.

„We hebben heel veel materiaal van ds. Nieuwenhuijze”, zegt Noorlandt. „Hij was bijna zeventig jaar predikant en hield talloze preken en lezingen, zoals voor de mannenbond. Ds. Nieuwenhuijze was lid van het curatorium van de Theologische School. Hij noteerde wat hij meemaakte bij de admissie-examens, de gesprekken over de toelating tot de predikantsopleiding. Zo was er een keer een jongen uit Rotterdam die aangaf: „De enige reden dat ik hier zit, is omdat ik van mijn moeder moet.” Nou, die stond dus snel weer buiten. Kon je toch zeggen dat je helaas bent afgewezen voor het predikantschap.”

Vroomheid

Al die duizenden voorwerpen en documenten geven volgens Noorlandt een beeld van de vroomheid van mensen en van het kerkelijk leven. „We hebben alle vijftig jaargangen van het Bijbelse dagboek Goede Moed. Die laten goed zien wat vele christelijke gereformeerde gezinnen ’s avonds aan tafel lazen. Synodes zijn belangrijk, maar het gaat ook om het verhaal. Dan gaat de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken leven. Daarom zijn we blij met nieuwe aanwinsten, zoals brieven.

Hier, de drie kaarsen van ds. C. Langbroek. Hij gebruikte die om gehandicapten het Evangelie uit te leggen. De middelste kaars symboliseert Christus aan het kruis. De twee andere kaarsen –met zwart papier eromheen– zijn de twee moordenaars. Een van hen kwam tot bekering. Dan haalde ds. Langbroek het papier eraf: zijn zonden waren vergeven. Zo’n verhaal raakt je. Dat zegt toch veel meer dan een zakelijke beschrijving, zoals: „Ds. Langbroek hield een preek voor gehandicapten”?”

CGK herdenken 125-jarig bestaan met canon

De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) herdenken in 2017 hun 125-jarig bestaan. Ze doen dat onder meer met een tentoonstelling in het gebouw van de Theologische Universiteit Apeldoorn (van 11 tot 23 mei) en op de landelijke kerkendag in Urk (26 mei). Een canon van vijftig hoogtepunten uit het kerkelijk leven belicht de geschiedenis van de CGK.

De wortels van het kerkverband liggen in de Afscheiding (1834). Uit een samenvoeging van de Christelijke afgescheiden gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis ontstaat in 1869 de Christelijke Gereformeerde Kerk. Deze vormt in 1892 met de Nederduits Gereformeerde (Dolerende) Kerk de Gereformeerde Kerken in Nederland. Een aantal gemeenten wilde niet mee en zette de Christelijke Gereformeerde Kerk voort. Het kerkverband heet sinds 1947 officieel de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland.

In de canon staan vijftig voorwerpen, personen en gebeurtenissen centraal. Aan de hand daarvan wordt een bepaald thema aan de orde gesteld. Een naaikist uit het voormalige christelijke gereformeerde kindertehuis in Utrecht laat het diaconaat van de kerken zien. Aan de hand van de persoon van ds. A. Bikker, in 1927 de eerste zendeling van de CGK, wordt het thema zending belicht. In de canon staan verder onder meer de verhuizing van de theologische opleiding naar Apeldoorn (1919), de oprichting van Bewaar het Pand (1966) en de doorstart van Rotterdam-Charlois als ICF-zendingsgemeente in 2002.

Onderzoek naar afdrachten en beroepingswerk

Jan Noorlandt is van de verhalen, Machiel Vennik van de cijfers. De wiskundige is sinds 2008 medewerker van het Documentatiecentrum van de Christelijke Gereformeerde Kerken, officieel voor vier uur per week. „Maar dertig uur is geen uitzondering.”

Op zijn beeldscherm staan grafieken en staafdiagrammen in allerlei kleurtjes. „De generale synode verhoogde vorige maand de minimumafdracht per kerklid naar 69,80 euro”, zegt hij. „Hier zie je hoe deze quota de afgelopen jaren zijn besteed. In de jaren tachtig ging meer dan de helft van het geld naar zending, evangelisatie en diaconaat; nu naar de Theologische Universiteit Apeldoorn en de emeritikas, de pensioenvoorziening van predikanten. Misschien zijn we wel minder missionair dan we denken.”

Een voorstel om doopleden wat minder te laten afdragen en belijdende leden wat meer, haalde het niet op de synode. „En dat is misschien maar goed ook, want veel effect zou zo’n maatregel niet hebben gehad. In vrijwel alle gemeenten ligt het aandeel doopleden rond de 38 procent. Alleen Urk zou misschien van deze regeling geprofiteerd hebben.”

Vennik is bezig met het schrijven van een brochure over het beroepingswerk. Dat loopt de laatste jaren enorm terug, constateert hij. Tegenwoordig zijn er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken zo’n veertig beroepen per jaar, een historisch laag niveau. „In de jaren zestig lag dat aantal op ongeveer 150. Het beroepingswerk was oververhit. Een gemeente als Dordrecht-Centrum beriep zeven keer per jaar een predikant. Ik weet niet hoe ze dat voor elkaar kregen. Misschien meteen beroepen als iemand bedankt had, zonder te gaan luisteren.”