Godsdienstsocioloog prof. dr. Hijme Stoffels met pensioen: Weersta tijdgeest op positieve wijze

Prof. dr. Hijme Stoffels beeld RD, Henk Visscher

De tijdgeest weersta je niet enkel door te waarschuwen, stelt prof. dr. Hijme Stoffels. „Wil je als jongere in deze wereld niet in een spagaat terechtkomen, ga dan op een goede manier om met moderne ontwikkelingen. Religie is nog volop aanwezig in de samenleving, maar op een andere wijze dan in het verleden.”

Prof. Stoffels nam vorige week afscheid als godsdienstsocioloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij heeft zich regelmatig geroerd in het debat over verschillen tussen evangelischen en reformatorischen. Als opvolger van de befaamde godsdienstsocioloog prof. dr. Gerard Dekker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam onderzocht hij nauwgezet de Nederlandse kerken, met name de gereformeerde en reformatorische wereld. Regelmatig haalde hij de media met een actueel commentaar en een pakkende observatie.

Prof. Dekker heeft voor hem de weg naar de godsdienstsociologie geëffend, zegt prof. Stoffels in een terugblik. Maar hij heeft zich ontwikkeld buiten de grenzen waarbinnen Dekker zich bewoog. Stoffels hield zich onder meer bezig met migrantenkerken en nieuwe religieuze bewegingen die hij in Amsterdam tegenkwam. „En niet alleen daar, maar ook in mijn woonplaats Den Haag. Ik heb een keer college gegeven over wat je daar binnen de 800 meter van mijn huis allemaal tegenkomt aan religies. Sowieso vier migrantenkerken en een katholieke kerk waar nu Polen de mis vieren. Het is ongekend hoe veelkleurig religieus Nederland is geworden.”

Hij werd wel de ”wonderprofessor” genoemd vanwege zijn inaugurele oratie over wonderen. Hij lacht er nu om. „Dat woord moet je maar gauw vergeten. Ik heb wel altijd een bijzondere interesse gehad in buitenissige verschijnselen van religie. Vandaar dat mijn afscheidsoratie gaat over eindtijdverwachtingen en profeten. Het heeft mij altijd geboeid: hoe komt het dat mensen ineens denken dat de wereld spoedig vergaat en dat ze zich ergens verzamelen om zo iets af te wachten?”

Hoe het echt zit

Stoffels beaamt de uitdrukking van prof. dr. H. Berkhof, die de godsdienstsociologie ooit vergeleek met de ruitenwissers op de auto. Ze geven even duidelijk zicht op de weg, maar voor verklarende oorzaken van godsdienstige ontwikkelingen moet je eigenlijk bij theologen zijn. Die relativering van godsdienstsociologen schoot Dekker weleens in het verkeerde keelgat. Steevast was volgens hem de reactie van de kerkelijke leidslieden dat het wel meeviel met de alarmerende informatie van sociologen over de kerkelijke neergang en secularisatie.

Prof. Stoffels: „Ik heb niet dat moeizame gevecht tussen theologen en sociologen gehad waar Dekker over sprak. Ik heb zowel sociologie als theologie gestudeerd. De religieuze werkelijkheid doorlichtte ik zo veel mogelijk als een menselijk bedrijf. Als godsdienstsocioloog wil je vooral weten hoe het echt en concreet zit met de kerken. Ik zie theologen als mensen die zich bezighouden met de bovenbouw –de geloofsvoorstellingen en dogma’s–, de sociologen bestuderen de middenlaag, de dagelijkse praktijk. En daaronder heb je psychologen en psychiaters die gericht zijn op alles wat er op het gebied van religie mis kan gaan.”

Refozuil

Stoffels wees al in 1995 op een in zijn ogen opvallende tegenstrijdigheid van de refozuil: aan de ene kant isoleert hij zich van de wereld, aan de andere kant doet hij volop met de wereld mee. Hij sprak van een „compartimentalisatie”, een scheiding tussen de persoonlijke leefwereld waarin geloof en moraal een heersende rol spelen en het publieke domein waarin refo’s zich doorgaans als onopvallende medeburgers gedragen.

Prof. Stoffels: „Die mening heb ik nog steeds. Toen ik in 1993 voor reformatorische zakenlui in Bunnik sprak, liet ik mij ontvallen dat ik ook langs hun wagenpark heb gelopen, wijzend op al die mooie auto’s. Wie nu de waarschuwingen leest in het Reformatorisch Dagblad over de sociale media die refojongeren zouden vergiftigen, moet niet vergeten dat deze jongeren die juist zeer actief gebruiken. Datzelfde geldt voor de televisie. Kon je de inhoud ervan in een huiskamer nog controleren, via de computer en via het mobiel kan dat helemaal niet meer. Ik heb een student eens onderzoek laten doen naar bioscoopbezoek onder reformatorische jongeren. Daaruit bleek dat ze buitengewoon goed van alle films op de hoogte waren.”

U publiceerde onder de titel ”Als een briesende leeuw” een onderzoek naar orthodoxe protestanten en hun strijd met de tijdgeest. Hebben zij de slag gewonnen of verloren?

„In de jaren tachtig van de vorige eeuw vaardigde de overheid wetten uit met betrekking tot abortus, euthanasie en de gelijke rechten van homo’s, waarna orthodoxe protestanten probeerden de zaken in eigen kring zo veel mogelijk te beperken. Mijn stelling is dat je je niet blijvend kunt verzetten tegen de moderne ontwikkelingen. Het is beter om respectvol en verstandig met de moderne media om te gaan, zoals dat ook gebeurde met de drukpers ten tijde van de Reformatie. Tegelijkertijd zie ik echter een kentering bij iemand zoals SGP-voorman Van der Staaij, die onbekommerd bij de media in Hilversum aanschuift. Ik heb van mijn leermeester Dekker meegenomen dat wanneer je je als kerk te veel aanpast aan deze tijd, je je identiteit verliest. Maar wanneer je je te veel richt op de identiteit en alleen waarschuwt tegen de tijdgeest, dan verlies je het contact met de buitenwereld. Jongeren leven dan in feite in een spagaat, in twee werelden.”

U hebt weleens gesteld dat de kerken niet zo de klaagtoon moeten aanheffen. Het zou beter zijn als de kerken zich duidelijker zouden presenteren. Kerken dienen nu meer vanuit een minderheidspositie hun eigen gelovigen toe te rusten om hun visie in de samenleving uit te dragen.

„Klopt, ik vind het jammer dat kerken zo weinig zichtbaar zijn in de media en in de publieke ruimte. De geschriften van kerkelijke leidslieden zijn vooral intern gericht, op de eigen gelovigen. Er is nauwelijks een poging om de buitenwereld te overtuigen. Het is gewoon niet waar dat tegenwoordig godsdienst achter de voordeur wordt weggeduwd. Je ziet bij het televisiespektakel The Passion dat de media hiervoor zeker openstaan. Het evenement wordt aangekondigd zonder enige zweem van kritiek en ironie. Er is een generatie opgekomen die niet de ballast van het verzuilde bestel heeft meegemaakt en zich niet hoeft af te zetten tegen haar verleden.”

Wereldwijd groeien de evangelische en charismatische kerkgemeenschappen ten koste van de traditionele en gevestigde kerken. Zet deze trend van een toenemend aantal ‘vrije’ kerken door?

„De klassieke protestantse kerken moeten er veel aan doen om overeind te blijven. Daarom schuilt er enige waarheid in de opmerking van de Britse evangelicaal Alister McGrath dat alleen de katholieken en de evangelischen het zullen redden. Je ziet momenteel allerlei nieuwe vormen van religiositeit opbloeien die de oude secularisatiethese onderuit halen dat het alleen maar minder en minder wordt. De kleinere orthodoxe kerken blijven qua getalsgrootte beter gehandhaafd dan de meer liberale kerken, maar hun groei of stabiliteit zit hoofdzakelijk in de natuurlijke aanwas. Aanwas uit de wereld is er nauwelijks.”

Bent u ook zelf veranderd in het beoordelen van ontwikkelingen van kerk en religie?

„Ik ben voorzichtiger geworden. De voorspellingen van de sociologen kloppen lang niet altijd, is mijn ervaring. Dekker becijferde eens dat er na een bepaalde periode zo’n 1 miljoen gereformeerden zouden moeten zijn. Maar het zijn nu de moslims die richting die 1 miljoen gaan. Ander voorbeeld: de Bijlmermeer in Amsterdam. Er werd daarin niet één kerkgebouw gepland, maar nu is dit stadsdeel het christelijkste deel van Amsterdam met ruim honderd geloofsgemeenschappen. Wereldwijd neemt het aantal atheïsten af en groeien de religieuzen. Religie is vluchtiger geworden. Godsdienst dringt zich meer in stukjes en beetjes op in plaats van als een totaalbeschouwing die het hele leven beheerst. De schotten tussen religies en levensbeschouwingen zijn minder scherp geworden.”

U bent inmiddels gepensioneerd. Is het nog leuk om in deze tijd professor te zijn?

„Een hoogleraar is tegenwoordig meer een manager dan een onderzoeker. Veel tijd gaat op aan vergaderen, het invullen van evaluatieformulieren, het vinden van financiën –omdat bestaande geldstromen flink gekort zijn– en het uitwerken van onderzoeksvoorstellen. Dat kost maanden tijd en nog geen 10 procent ervan wordt gehonoreerd. Daarbij komt nog de zogenoemde valorisatie: je onderwerp moet maatschappelijk relevant zijn. Vroeger was het vooral belangrijk dat een onderzoek wetenschappelijk was. Hoogleraren komen nauwelijks toe aan het lezen van boeken behalve tijdens weekenden of in vakanties. Wat dat betreft heb ik nu mijn handen vrij om te lezen en te onderzoeken. Het universiteitsblad Ad Valvas publiceerde vorig jaar een artikel met de kop ”De gelukkigste hoogleraren zijn met pensioen”. Ik kan dat beamen.”

---

Prof. dr. Hijme Stoffels

Hijme Stoffels (Den Haag, 1952) studeerde sociologie en theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en promoveerde daar in 1990 op het proefschrift ”Wandelen in het licht. Waarden, geloofsovertuigingen en sociale posities van Nederlandse evangelischen”. Stoffels redigeerde de bundel ”Bevindelijk gereformeerden” (1993) en schreef in 1995 ”Als een briesende leeuw. Een onderzoek naar orthodox-protestanten en hun strijd met de tijdgeest”. Samen met zijn leermeester prof. dr. G. Dekker publiceerde hij ”Godsdienst en samenleving. Een introductie in de godsdienstsociologie” (2009). In 2001 werd Stoffels bijzonder hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit, in 2006 omgezet tot gewoon hoogleraarschap (tot 2016). Hij redigeerde in 2008 samen met prof. dr. Mechteld Jansen de bundel ”A Moving God” over migrantenkerken in Nederland. De hoogleraar was betrokken bij onderzoeken naar domineeskinderen, naar Bijbelbezit en Bijbelgebruik in Nederland, naar hedendaags wondergeloof, de Tien Geboden, Godsbeelden bij pastores, geloof in genezing en persoonlijke belijdenissen van doopsgezinden. Hijme Stoffels is getrouwd en heeft twee dochters.