‘Gewone’ catechismus wil kern geloof in 100 vragen en antwoorden belichten

Samenstellers Gewone Catechismus. Van links naar rechts: dr. Theo Pleizier, dr. Arnold Huijgen en dr. Dolf te Velde.  beeld RD, Anton Dommerholt
3

Geen nieuwe, maar een „gewone” catechismus, heet het gezamenlijke product van drie theologen. „We wilden terug naar het oeridee van catechese in gereformeerde zin, namelijk een eenvoudige vraag en een eenvoudig antwoord.”

Dr. Arnold Huijgen (TU Apeldoorn), dr. Theo Pleizier (PThU Groningen) en dr. Dolf te Velde (TU Kampen) zijn er maar liefst vijf jaar mee bezig geweest. Het was een lange bevalling, erkent het drietal in restaurant-hotel Wientjes in Zwolle, de plek waar zij talloze malen vergaderden. Teksten op elkaar afstemmen, vervolgens overleg met een brede redactie (Leantine Dekker, Wim Verboom en Jeanette Rodenburg) en klankbordgroepen. Totdat er eindelijk een compacte tekst (uitg. KokBoekencentrum, Utrecht) uitrolde van nauwelijks meer dan 200 bladzijden, met ook nog veel wit op de pagina’s.

Waarom deze uitgave?

Huijgen: „Er is natuurlijk de Heidelbergse Catechismus, maar die functioneert feitelijk nauwelijks meer als het enige leerboekje dat gebruikt wordt in vraag en antwoord. We hebben ons in 2013, bij de herdenking van 450 jaar Heidelbergse Catechismus, hardop afgevraagd: Waarom gaan we er niet een maken?”

Pleizier: „De Heidelberger is een belijdenisgeschrift geworden met een sterke confessionele functie. Maar er zat ook vanaf het begin een didactische functie in: Hoe kunnen mensen het geloof zich toe-eigenen aan de hand van leerteksten? En die waren nauwelijks beschikbaar.”

Huijgen: „Er is een afstand in taal, maar ook in thematiek gekomen, denk bijvoorbeeld aan de uitgebreide strijd over de aanwezigheid van Christus in het avondmaal. Je moet er dus al heel veel energie in steken voordat mensen begrijpen wat er in de Heidelberger tekstueel staat.”

Te Velde: „Je moet vanuit een basistekst waarin het christelijk geloof wordt uiteengezet, steeds vertaalslagen maken om de inhoud enigszins begrijpelijk en relevant te maken. Ons boekje is weer een tekst waar je direct mee aan de slag kunt.”

Huijgen: „De Heidelberger is fantastisch als belijdenisgeschrift en dat moet ook zo blijven. Onze Gewone Catechismus is dus ook geen concurrent voor de Heidelberger. Het is meer een concurrent voor al die verschillende catechisatieboekjes die in omloop zijn. We wilden weer terug naar het oeridee van catechese in gereformeerde zin, namelijk een eenvoudige vraag en een eenvoudig antwoord, waarover je met elkaar het gesprek aangaat.”

Te Velde: „De catechismus is vooral op de dertigers gericht: welke vragen houden hen bezig? Daar ligt vaak een breuk en vacuüm. Deze jongvolwassenen krijgen nog wel bagage mee, maar als ze zelf in het leven staan, gaan ze op zoektocht omdat er niet iets is wat aansluit. Het is best een uitdaging als daar een gat valt. Dat zijn de jonge ouders die opgroeiende kinderen moeten voorgaan.”

Wat is het nieuwe van deze catechismus?

Huijgen: „Het is een catechismus, dus de vier elementen geloof, gebod, gebed en sacramenten moeten er in. Maar we probeerden wel een nieuwe invalshoek te kiezen vanuit de vragen die relevant zijn voor nu. We zijn bij nul begonnen qua opzet. Beginnend bij de doop als ingang tot het christelijk leven en eindigend bij het avondmaal als maaltijd van de verwachting. En daartussendoor een structuur die verbonden is aan de Drie-enige God. Toen zag ik het voor mij: Dit gaat iets moois, iets nieuws worden.”

Pleizier: „Onze tijd is heel seculier geworden. In zo’n missionaire situatie moeten christenen opnieuw ontdekken hun geloof te verwoorden. Daarnaast is de leerdienst in grote delen van het protestantisme verdwenen of verdwijnt die nog verder. Ik hoop dat onze nieuwe tekst daaraan een nieuwe impuls kan geven.”

Bewust gedaan: die ”drie stukken” anders formuleren?

Pleizier: „Ik het zou het erg vervelend vinden als ons schema van vertrouwen, volgen en verwachten in concurrentie met ellende, verlossing en dankbaarheid zou komen. Die moeten naast elkaar kunnen bestaan.”

Te Velde: „Wat in ieder geval heeft gespeeld, is dat we voor werkwoorden wilden kiezen om tot uitdrukking te brengen dat geloven een doorgaand proces is, een houding waar je je hele leven mee bezig bent.”

Pleizier: „Het boek is geschreven door drie gereformeerde theologen, maar we hopen wel dat het katholieken of evangelischen niet afstoot. Ook al zouden zij bij avondmaal en doop heel andere afslagen willen nemen.”

Te Velde: „We wilden geen bijzonderheden van de gereformeerde traditie accentueren, maar het gemeenschappelijke van het christelijk geloof.”

Huijgen: „Een goede dogmatiek timmert niet alle dingen dicht, sommige zaken moeten ook open blijven.”

Te Velde: „Goede dogmatiek mag ook prikkelend zijn. Zij brengt echte vragen in kaart, waar we verder over na moeten denken. Dus: ga er een mooi geloofsgesprek over voeren.”

Pleizier: „De kracht van een catechismus is niet primair dat het geloof cognitief klopt, maar dat het het hart raakt en je in beweging zet.”

Is de onkunde over de christelijke leer toegenomen?

Te Velde: „Was het vroeger echt beter? Mensen konden gemakkelijker en beter bepaalde formuleringen reproduceren, zoals uit de Heidelberger, maar het werd lastig als je hun vroeg: Kun je dat ook uitleggen?”

Pleizier: „De diversiteit en de geletterdheid zijn groter geworden. Je kunt niet meer exclusief verwijzen naar klassieke teksten uit het verleden die samenbindend hebben gewerkt. We presenteren een lijn zonder de lezer iets voor te schrijven.”

Het ligt altijd gevoelig: een nieuw belijdenisgeschrift. Waarom, zo kan de vraag luiden. Is het oude dan niet genoeg?

Te Velde: „Je moet daar niet te benauwd voor zijn. Als belijden ook anders kan, is het eigenlijk een logische stap: waarom zouden we het ook niet eens proberen?”

Huijgen: „Dit is ook geen belijdenisgeschrift, maar een catechismus. De belijdenisgeschriften moeten blijven zoals ze zijn, al moeten de lezers de inhoud ervan zich op een goede manier eigen maken om in hun eigen tijd de waarheid ervan te verwoorden.”

Klinkt de eerste vraag niet wat plat: Waarin vind jij je geluk?

Huijgen: „Geluk heeft nu een soortgelijke gevoelswaarde als troost in de zestiende eeuw. Het betekende toen: houvast. Tegenwoordig zoeken mensen naar geluk. De eerste vraag en antwoord moeten het doen, net zoals in de Heidelberger. We hebben lang hiernaar gezocht.”

Is het gedeelte over de evolutie een compromistekst?

Huijgen: „Juist niet! Dat hele debat over schepping en evolutie wordt momenteel gevoerd met een laatste ernst alsof wanneer de wereld niet in zes dagen van 24 uur gemaakt zou zijn, je alles verliest. Waar het om gaat, is dat deze wereld Gods wereld is en op Hem gericht is.”

Pleizier: „Wie heeft ons bedacht en waartoe zijn wij gemaakt? De dingen eromheen moet je open kunnen laten.”

Te Velde: „Dit is een primaire geloofstekst: de wereld is door Gods wil en bedoeling geschapen. Dat is een heel ander perspectief dan van een spontane en toevallige evolutie.”

Verwachten jullie ook kritiek op de catechismus?

Huijgen: „Natuurlijk, als die maar niet is: Het is anders, dus kan het niet goed zijn. Hopelijk nemen mensen de tekst serieus.”

Pleizier: „Als je andere vragen wilt stellen, prima, doe maar. En formuleer dan zelf ook een antwoord. Laten we onszelf oefenen om beknopte antwoorden te formuleren die je met een collega bij het koffieapparaat kunt delen.”

Selectie uit 100 vragen en antwoorden

Vraag 1: Waarin vind jij je geluk?

„Mijn geluk is dat Jezus Christus mij gevonden heeft. Hij offerde zichzelf op om mij thuis te brengen in de liefde van God. Zijn Geest maakt in mij de hoop wakker op Gods nieuwe toekomst, voor mij en heel de wereld.”

Vraag 25: Wat bedoel je als je zegt dat God de wereld heeft gemaakt – de evolutietheorie zegt toch dat alles spontaan ontwikkeld is?

„Ik geloof dat alles wat bestaat, is voortgekomen uit een idee van God, dat alle variatie tussen planten, dieren en mensen door Hem is bedacht. Of het nu kort of lang heeft geduurd, of alle soorten apart zijn gemaakt of dat ze uit elkaar zijn voortgekomen, dat doet niets af van de liefdevolle bedoeling waarmee God deze wereld, maar ook mij, tot zijn eer gemaakt heeft.”

Vraag 85: „Hoe ga je bij de kerk horen?”

„Door de doop.”

Vraag 100: Hoe vaak vier je avondmaal?

„Zo vaak als wij het nodig hebben om de verwachting van Jezus’ komst te voeden. Zo vaak als ik aan zijn tafel het levensgeluk proef, groeit mijn verlangen om bij Hem te zijn, onze Redder en Heer. Als Hij komt, is ons geluk volkomen.”