Gefusilleerde verzetspredikant ds. Ader herdacht

Na de Tweede Oorlog verhuisde Johanna Adriana Appels, de vrouw van ds. B. J. Ader, van Nieuw-Beerta naar het naastgelegen dorp Drieborg. Vanuit het huis zette zijn werk in het Groningse dorp voort. beeld SOGK, Jelte Oosterhuis
3

Op een late maandagmiddag reed een groep Duitsers en Nederlanders in enkele auto’s weg van „de berg” bij Veenendaal. Het vuurpeloton had zojuist zes verzetsmensen doodgeschoten, van wie de lichamen achterbleven. Een van hen was ds. B. J. Ader uit Nieuw-Beerta.

Het is woensdag 75 jaar geleden dat de verzetsmensen werden gefusilleerd. Het Ichthus College in Veenendaal hield een herdenking.

Bastiaan Jan Ader werd geboren op 30 december 1909 in ’s-Gravenzande. Hij was de oudste van twee kinderen in het gezin van Bastiaan Ader en Antje van der Schaaf. Hij bracht zijn jeugd door in Ede en Deventer.

Ader overwoog een technische studie in Delft. Maar vanuit een roepingsbesef koos hij in 1931 toch voor de studie theologie in Utrecht. De 1,90 meter lange student was kunstzinnig aangelegd. Hij fotografeerde, componeerde en haalde een diploma voor kerkorganist.

Proefpreek

Tijdens zijn studie ontmoette hij Johanna Adriana Appels uit Driebergen, met wie hij zijn interesse in talen deelde. Zij schreef later ”Een Groninger pastorie in de storm”. In 1935 trouwden ze in Amsterdam.

In hetzelfde jaar hield Ader zijn proefpreek over Mattheüs 5:16: „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.” Deze tekst werd leidend in het leven van het echtpaar. In zijn eerste preek zei de jonge kandidaat: „Wie zich aan Christus overgeeft om het wonder van de levensvernieuwing aan zich te laten voltrekken, zoodat het goddelijk licht de duisternis opheft, wie leven ontvangen heeft dat aan grenzen ontheven is, diens nieuw gekregen eeuwigheidsleven brengt vanzelf goede werken voort. Het is niet mogelijk door God te worden aangeraakt en onvruchtbaar te blijven.”

Na zijn studie wilde hij het land van de Bijbel zien en in juni 1936 vertrok hij. Op de fiets. Na acht maanden was Ader terug en in de tussentijd had hij zo’n tien landen doorkruist. En slechts één lekke band gehad.

De reis had hem gevormd. Ader schreef: „’k Denk en hoop, dat deze reis méér een Christen van me gemaakt heeft, me heel wat meer kijk heeft gegeven in werkelijkheid en schijn, waarde en onwaarde.”

Tijdens de reis kwamen beide echtelieden –los van elkaar– onder de indruk van de Oxfordgroep. Ze wilden praktisch christen zijn en als piëtisten stille tijd nemen om persoonlijk contact te hebben met God.

Groninger pastorie

Korte tijd was Ader hulpprediker in Badhoevedorp en in 1938 werd hij bevestigd als hervormd predikant in Nieuw-Beerta (Oost-Groningen). De gemeente bestond uit Nieuw-Beerta, Drieborg en Nieuw-Statenzijl. Het communisme was er sterk en de kerkgang zwak. Samen met zijn vrouw won ds. Ader echter het vertrouwen.

In april 1942 werd hun oudste zoon Bas Jan geboren. De Jodenvervolging was in volle gang en twee Joodse vrouwen konden terecht in de Groninger pastorie. In augustus 1943 bracht ds. Ader drie Joodse mensen uit Amsterdam in veiligheid. Dat was het begin van een voortdurende pendeldienst, waarbij hij zo’n 200 tot 300 Joden redde.

De situatie was echter gevaarlijk en zijn zus waarschuwde hem, maar hij antwoordde: „Dit is mijn opdracht. Ik moet van de Heer; ik kan niet terug.”

Zijn grote compassie zorgde ook voor spanningen met zijn vrouw, die zag dat de eigen acht onderduikers in gevaar konden komen. Hij antwoordde haar echter: „Denk aan de mensen, die zich aan me vastklampen. Zou jij die laten stikken?”

Zijn foto kwam in het politieblad en hij was niet langer veilig in Groningen. Ds. Ader dook onder in de Blasiusstraat in Amsterdam, waar zijn Joodse helpster Lisette Cats bij hem inwoonde. Zij vertelde later dat ze onder grote spanning leefden en dat de dominee dagelijks hardop een stuk voorlas uit de Bijbel.

In die tijd ontwikkelde hij het unieke plan om Kamp Westerbork gewapend binnen te vallen en zoveel mogelijk Joden te bevrijden. Na de oorlog verklaarde medewerkster Liesbeth Sjoerds dat de realisatie van het plan dichtbij de uitvoering zat.

Arrestatie

Op 22 juli 1944 werd ds. Ader met zijn Joodse vriend Arnold Blik gearresteerd in Haarlem. Tijdens de verhoren werd hij zwaar mishandeld, maar hij liet niets los. Overgebracht naar de Weteringsschans in Amsterdam, kreeg hij zijn zakbijbeltje in handen, dat hij intensief las. Achterin schreef hij vier gedichten, waarin hij zich voorbereidde op zijn dood. In het diepst geheim hield hij in de gevangenis een bidstond (via verwarmingsbuizen) voor een ter dood veroordeelde gevangene.

Na een vuurgevecht in Veenendaal werd ds. Ader met vijf andere gevangenen (uit Amsterdam en Utrecht) afgevoerd om te worden gefusilleerd. Een vuurpeloton van de Kriegsmarine en twee Nederlandse SD-mannen deed het werk. Later vertelde de Nederlandse SD-man Co van Joolen dat hij op „die lange man” had gemikt.

Uit zijn illegale briefjes aan zijn vrouw bleek ds. Ader gereed te zijn om te sterven. Hoewel hij het nooit geweten heeft, werd hij zestien dagen voor zijn dood vader van een tweede zoon, Erik. Hij is degene die nu het zakbijbeltje heeft dat ds. Ader bij zich droeg tijdens de fusillade.

Deze woensdag werden de zes slachtoffers herdacht bij het kruis op de berg bij Veenendaal. En uit het Bijbeltje van toen klonk opnieuw Gods betrouwbare Woord.