Geboeid door de reformatorische cultuur

Grondig verdiepte ze zich in de reformatorische cultuur. Ze bestudeerde de Bijbel en de belijdenisgeschriften, bezocht kerkdiensten, jeugdverenigingen en refocafés en liep vier maanden mee op scholengemeenschap Pieter Zandt in Kampen. Dat alles in het kader van haar doctoraalscriptie ”De onschuld voorbij…”, waarop ze vrijdag hoopt af te studeren. „Het zijn míjn refo’s geworden.”

Wat kenmerkt de reformatorische cultuur? Hoe wordt die cultuur overgedragen op „het navolgende geslacht”? Welke studiekeuzes maken meisjes op de Pieter Zandt? Welke invloed oefent de reformatorische cultuur uit op deze keuzes? En op welke manier beïnvloeden die keuzes de reformatorische cultuur?

In haar afstudeerscriptie, waarmee ze haar opleiding sociale en culturele antropologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam afrondt, probeert José M. Baars-Blom uit Hasselt die vragen van een antwoord te voorzien. Een van haar bevindingen: „Hoe degelijk en intensief er ook op school of in de kerk op Bijbel en geloof(sleer) wordt ingegaan, wanneer een meisje daar thuis of onder vrienden niet over spreekt, komt het relatief vaak voor dat zij zich in haar gedrag niet laat leiden door Bijbelse waarden.”

Braakliggend terrein
Tot voor enkele jaren kende ze de reformatorische wereld niet of nauwelijks. Baars-Blom groeide op in een hervormd milieu in Zeist, werd synodaal-gereformeerd, zwierf later in kerkelijk opzicht wat rond en weet zich nu „PKN’er” te Hasselt.

Waarom juist voor dít onderwerp, dít onderzoeksthema gekozen? „Eigenlijk”, zegt de antropologe, „vind ik dat zelfs heel logisch. Overal wordt op dit moment over religie gesproken. De media berichten er dagelijks over. Ook als je kijkt binnen de antropologie, mijn vakgebied, zie je dat er heel wat publicaties op dit terrein verschijnen. Alleen, vaak gaat het dan over de evangelische beweging, de pinksterkerken, de migrantenkerken, de islam. Over het christelijke volksdeel, zeker het reformatorische, verschijnt heel weinig. In mijn ogen ligt hier echt een terrein braak.”

Oók omdat orthodoxe christenen steeds vaker op één lijn worden gesteld met radicale moslims. „De term fundamentalisme komt steeds gemakkelijker over de lippen”, aldus de onderzoekster in haar scriptie. „De argwaan ten aanzien van orthodoxe christenen is des te opvallender omdat het christendom, en specifiek het calvinisme, eeuwenlang tekenend is geweest voor de Nederlandse samenleving en cultuur.”

Met haar studie hoopt ze „op zeer bescheiden schaal een bijdrage te kunnen leveren aan wederzijds begrip tussen mensen. Het zal niet meer zijn dan een druppel op een gloeiende plaat, maar als er in de loop van de tijd meer druppels vallen, zorgt dat wellicht voor wat afkoeling.”

Coelenhage
Om enig inzicht te krijgen in de reformatorische cultuur en hoe (en in hoeverre) deze wordt overgedragen, koos Baars-Blom voor een „casestudy”: ze onderzocht de manier waarop meisjes uit deze cultuur aan het einde van hun middelbare schooltijd een keuze maken „die van invloed zal zijn op hun functioneren in de Nederlandse samenleving.” Gaan zij na het behalen van hun diploma verder leren of werken? Voor welke vervolgopleidingen kiezen zij? „Deze keuze is een van de eerste keuzes die jongeren min of meer zelfstandig maken”, schrijft de antropologe. „Daarin kan dan ook tot uiting komen in hoeverre zij zich de reformatorische cultuur eigen hebben gemaakt en of hun studiekeuze daarmee op één lijn ligt.”

Om praktische redenen voerde ze het onderzoek uit „binnen en vanuit” de scholengemeenschap Pieter Zandt in Kampen. Leerlingen hiervan komen uit onder andere Genemuiden, IJsselmuiden, Kampen, Staphorst en Urk.

Omdat ze nog nooit écht kennis had gemaakt met de reformatorische cultuur, besloot ze zich er „als het ware in onder te dompelen.” José: „Ik ben werkelijk overal en nergens naar de kerk geweest, bestudeerde alle mogelijke literatuur, heb op de Pieter Zandt lessen godsdienst en maatschappijleer bijgewoond, zelf les gegeven, ik ging naar bijeenkomsten over begeleide confrontatie en naar voorlichtingsbijeenkomsten voor ouders. In pauzes en in tussenuren praatte ik met leerlingen en docenten, ik bezocht het schoolkoor, ging naar de sing-in op school, naar jeugdverenigingen, refocafés, noem maar op.”

„Over refocafés gesproken”, zegt ze, „dát vind ik wel zoiets raars! Hele groepen jongeren, vanuit de kop van Friesland tot ver onder Utrecht, die dan naar Coelenhage in Wezep komen, of naar Staphorst. Muziek wordt er niet gedraaid, maar gekleurde lampen zijn er weer wel. Aan het begin van de avond zie je aan de ene tafel jongens staan, aan de andere tafel meisjes. En gaandeweg begint het dan allemaal wat door elkaar lopen. Coelenhage, ja, ik ben er één keer geweest. Ik kwam binnen, roept een jongen: „Nou mevrouw, ik weet niet of er ook jongens van uw leeftijd zijn!””

Kerkdiensten
Eind 2004 woonde ze haar eerste kerkdienst in reformatorische kring bij, in de gereformeerde gemeente van Genemuiden. „Ik kwam thuis”, zegt Baars-Blom, „en ik zei: Dit is zó leuk! Er gebeurt van alles, en het gaat precies volgens het boekje. Ik hoorde voor het eerst psalmen op hele noten - en in Genemuiden gaat dat dan nog met bovenstem ook. Sindsdien heb ik tegen de twintig kerkdiensten bijgewoond, in de hele omgeving. Hoedje op, rok aan. En hoe orthodoxer, hoe mooier, vind ik.”

Onbegrijpelijk, een orthodoxe kerkdienst? „Nee! Nee, echt niet. Natuurlijk, ik had me wel een beetje ingelezen. Maar verder, nu ja, als er een preek werd gelezen, in een oud gereformeerde gemeente of zo, dan begreep ik niet altijd alles. Het taalgebruik is soms zo archaïsch. Soms dacht ik: Wat hóór ik nu dan toch?”

„Een kerkdienst duurt minimaal 1,5 uur”, noteerde ze in haar scriptie. „Mijn persoonlijke ervaring is dat dit vaak niet lang lijkt omdat het geheel van inhoud én liturgie, symboliek en rituelen het bijwonen van diensten tot een plezierige aangelegenheid maakt.”

Communiceren
Met 23 zorgvuldig geselecteerde examenkandidates op de Pieter Zandt voerde José gesprekken. Over het christelijk geloof, over het gezin waaruit ze kwamen, hun kerkelijke achtergrond, hun toekomstperspectieven. In haar scriptie nam ze tal van fragmenten op.

„Na verloop van tijd herken ik in de gesprekken bepaalde patronen”, tekende ze op. „(1) Leerlingen die niet kunnen spreken over geloof of geloofsleer komen vaak uit een omgeving waar men weinig inhoudelijk communiceert. (2) Leerlingen die hun geloofsleer niet internaliseren (zich eigen maken; AdH) en daar dus ook niet uit kunnen leven, lijken zich in hun gedrag niet van geseculariseerde jongeren te onderscheiden. (…) De wijze van communiceren lijkt het verschil te maken. Ik onderscheid hierbij open communicatie van gesloten communicatie.”

„Ik heb hier veel over nagedacht”, zegt de auteur. „Hoe komt het toch dat er in sommige gezinnen bijna niet over het geloof wordt gesproken? Voor mezelf heb ik bedacht dat dit te maken moet hebben met een stuk schroom dat er van oudsher heerst. Hoe kun je, in de optiek van bevindelijk gereformeerde ouders, praten over iets wat je zelf niet hebt, of waarvan je niet zeker weet dat je het hebt?

En toch, als je dan kijkt naar het leven nu, naar de alledaagse werkelijkheid, waarin de media, internet, met veel kabaal de aandacht van jongeren trekken, dan wordt communiceren over deze zaken volgens mij een noodzaak. Anders red je het niet.

En dan hoor ik mensen al roepen: O, als ouders hebben we het natuurlijk weer gedaan! Zo bedoel ik het niet. Maar als ik de resultaten van mijn onderzoek zie, denk ik wel: Misschien moet je jezelf als ouders op dit punt wat leren overwinnen.”

In haar scriptie citeert Baars-Blom een meisje uit een havoklas dat tegen haar opmerkte: „Ik vind het echt wel moeilijk, want soms hoor je wel eens van ouders die het er echt met hun kinderen over kunnen hebben, soms denk je wel van had ik maar zulke ouders, waar je het echt ergens mee over kan hebben.”

Bewuste belijders
Behalve de interviews hield de antropologe ook een enquête. Ze verwerkte de respons van 226 examenkandidates 2005 van de Pieter Zandt. Op basis van de uitkomsten deelde ze hen in in vier groepen: bewuste belijders (51 procent), behoudende bewakers (12 procent), vlotte vernieuwers (22 procent) en verre vreemden (15 procent). De laatsten komen doorgaans uit „een licht orthodoxe omgeving waar men weinig met elkaar communiceert” en „staan feitelijk al met één been buiten de reformatorische cultuur en verdere verwijdering daarvan is te verwachten.”

De reformatorische cultuur is van invloed op de studiekeuze van de meeste meisjes, concludeert de onderzoekster. Zo kiezen examenkandidates van de Pieter Zandt ten opzichte van meisjes op landelijk niveau minder vaak voor de hoogst haalbare vervolgopleiding. Verder is er een lichte voorkeur voor medische en verzorgende beroepen. De invloed van de reformatorische cultuur is echter „tanende”, constateert José.

Op hun beurt zullen de studiekeuzes van meisjes van invloed zijn op de reformatorische cultuur, zo stelt ze vast. „Het opleidingsniveau van de meisjes uit de onderzoeksgroep wordt (veel) hoger dan van de vorige generatie vrouwen. (…) Een moeder die heeft doorgeleerd blijkt bovendien open communicatie te bevorderen en open communicatie en het verwoorden van gedachten ligt aan de basis van cultuurverandering.”

”De onschuld voorbij …” luidt de titel van uw scriptie. Kunt u deze toch nog eens toelichten?
„De titel heeft eigenlijk een driedubbele bodem. Allereerst verwijst hij naar het reformatorische gedachtegoed. Orthodoxe christenen ervaren zichzelf als zondig.

In de tweede plaats verwijst de titel naar de uitkomsten van mijn onderzoek: ook reformatorische meisjes raken steeds meer beïnvloed door het autonomiedenken, kiezen lang niet altijd meer voor de standaardbiografie: trouwen, kinderen krijgen, stoppen met werken. Ze zijn hun onschuld voorbij.

Bij een aantal meisjes kwam ik ook een groot stuk wereldgelijkvormigheid tegen. Dat had ik trouwens niet verwacht toen ik aan het onderzoek begon. Wat dat betreft had ik echt een soort ideaalbeeld van orthodoxe christenen: zij vertegenwoordigden nog een rein, mooi stukje Nederland. Gaandeweg kwam ik erachter: het zijn gewone mensen.

De titel heeft verder nog een persoonlijke component. Ook ik ben mijn onschuld kwijtgeraakt, dat wil zeggen: ik ben tot het inzicht gekomen dat noties als zonde en schuld noties zijn die we bij ons in de kerk zijn kwijtgeraakt. We zijn in wat vroeger de Gereformeerde Kerken heetten zó schuw geworden voor een begrip als zonde. Maar door dat dood te zwijgen, haal je de crux uit het christelijk geloof. Want hoe weet je wat genade is, als je niet weet wat zonde is?”

Met een glimlach: „Dus sindsdien roep ik het in onze gemeente uit: We moeten het meer over de zonde hebben!”

Ze houdt even stil. Dan: „Ik heb genoten van dit onderzoek. Ik weet me inmiddels een pleitbezorger van de reformatorische cultuur. Wat dat betreft voel ik me ook een echte antropoloog. Aan het begin van mijn opleiding werd me verteld: Echte antropologen hebben het over „Mijn dorp”, „Mijn Indianenstam.” Ik spreek intussen over „Mijn refo’s”.”

De afstudeerscriptie van José M. Baars-Blom verschijnt in mei dit jaar in boekvorm bij uitgeverij Kok, Kampen, onder de titel: ”De onschuld voorbij… Over reformatorische cultuur en wereldbestormende meisjes”. Prijs: ca. 13,50 euro.