„Eenheid is dé bestaansreden van Wereldraad van Kerken”

Assemblee in Porte Allegre (Brazilië) in 2006. beeld RD

Het streven naar eenheid is dé reden voor het bestaan van de Wereldraad van Kerken. Dat stelt de Engelse theoloog Donald W. Norwood in zijn boek ”Pilgrimage of Faith”, dat recent verscheen naar aanleiding van het 70-jarig jubileum van deze oecumenische organisatie.

De Wereldraad is een verbond van nationale kerken. Hierin verschilt hij van de Rooms-Katholieke Kerk (RKK), die internationaal is georganiseerd en daarom ook moeilijk lid van de Wereldraad kan worden, zo stelt de schrijver. In bepaalde afdelingen, zoals Geloof en Kerkorde, participeert de RKK volledig. Deze kerk is sinds de jaren zestig steeds meer geïntegreerd in de Wereldraad, vooral sinds de vergadering in het Zweedse Uppsala (1968).

Openheid

De Wereldraad onderzoekt andere mogelijkheden, zoals in het Global Christian Forum, om de RKK meer bij de organisatie te betrekken. Die openheid geldt ook de onafhankelijke evangelische en pinksterkerken. „Het zijn voor de Wereldraad belangrijke groepen”, aldus Norwood. „De helft van alle christenen wereldwijd is rooms-katholiek. Leden van deze kerk bevinden zich in bijna elk land. Een ander kwart van de christenen wereldwijd is evangelisch of lid van een pinksterkerk. Zij zijn verspreid over een groot deel van de wereld en hun aantal groeit snel.”

Het primaire doel van de Wereldraad, zo verwoordt de grondslag, is de oproep tot „zichtbare eenheid in één geloof en één eucharistische gemeenschap.” Deze constitutie kan volgens Norwood het best begrepen worden als een verwijzing naar het gebed van Jezus in Johannes 17:21, namelijk dat allen één zullen zijn opdat de wereld zal geloven.

Norwood: „Te vaak handelen en bidden we alsof onze kerk de enige kerk is. We bidden wel voor de wereld, maar niet voor de wereldkerk. Rooms-katholieken bidden altijd voor de paus. Laten we bidden voor de paus, voor alle hoofden van kerken, voor alle christelijke gemeenschappen én voor de Wereldraad van Kerken. Zij hebben onze gebeden nodig, en bidders moeten goed geïnformeerd worden.”

Vruchten

Gelijktijdig met Norwoods boek verscheen een themanummer van het theologisch tijdschrift The Ecumenical Review met bijdragen over zeventig jaar Wereldraad van Kerken. Secretaris-generaal Olav Fyske Tveit stelt daarin dat de oecumenische dialoog „substantiële vruchten” heeft voortgebracht. „Het is nu tijd om rekenschap te geven van wat we hebben bereikt en wat de gaven van de oecumenische dialoog hebben betekend. We bewegen ons in een gebroken, gepolariseerde wereld, maar we richten ons ook op een eenheid waarvoor we geschapen zijn, een eenheid die mogelijk is geworden door de kruisiging en de opstanding van onze Heere Jezus Christus.”

Oud-secretaris-generaal Konrad Raiser betoogt in het nummer dat de vroege oecumenische beweging gestempeld werd door de hoop op vernieuwing van de kerk. De pioniers geloofden dat het na de ontreddering in de eerste helft van de twintigste eeuw tijd was om de verschillen tussen de kerken te boven te komen. Maar na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) verflauwde de geest van oecumenische vernieuwing, „Het eigen profiel leek opnieuw belangrijker dan het gemeenschappelijk getuigenis.”

Dat is volgens voormalig secretaris Philip Potter het probleem van veel kerken: men hecht aan eigen macht en weigert elkaars gaven te delen. Toch is hij positief. „De Wereldraad startte bescheiden en met veel wederzijds wantrouwen. Maar sindsdien zijn er op verschillende plaatsen eenheid, relaties en eucharistische gastvrijheid ontstaan.”