Een kerk: gewijd huis van God, of praktische preekschuur?

Puinhopen in de Notre-Dame in Parijs, nadat er op maandag 15 april brand uitbrak in de kathedraal. beeld EPA, Christophe Petit Tesson
3

Na de brand in de Notre-Dame in Parijs, vorige maand, laaide op diverse plaatsen een discussie op over de waarde van een kathedraal of kerk. Gaat het hier om niet meer dan een hoop hout en steen? Of hebben we te maken met een geheiligd godshuis? En als beide uitersten ons te ver gaan, wat is het dan wel?

Ik groeide op naast de kerk. Een gebouw uit de jaren 60 waar honderden mensen van het dorp en daarbuiten zondags onderdak vonden. Die kerk bepaalde m’n jeugd. Zondags zat je er onder het Woord. Doordeweeks was het kerkplein ons speeldomein en vormde de muur naast de ingang een geschikte plek om een balletje te trappen.

Dat laatste deed je uiteraard niet op zondag, en ook niet als er doordeweeks iets te doen was in de kerk. Je voelde haarfijn aan dat dat niet gepast was.

Een enkele keer kwam je doordeweeks in de kerk. Die grote, hoge, halfduistere ruimte maakte indruk. Je voelde iets van wijding. Natuurlijk ging je niet rennen of gillen. En alleen met grote schroom durfde je het trapje naar de preekstoel te beklimmen, om toch even te zien hoe die grote ”houten broek” er vanbinnen uitzag.

Verderop in de straat stond de oude kerk, die tussen 1910 en 1962 dienst had gedaan als bedehuis van de gemeente. Het gebouw was gekocht door de eigenaar van de ijzerwarenzaak, ertegenover, die het als opslagplaats gebruikte. Als wij er weleens binnen speelden, was het kerkinterieur met z’n gaanderij nog duidelijk herkenbaar. Eigenlijk ervoer je het als ongepast dat het voormalige godshuis nu diende voor de opslag van staal. Het gebouw had z’n wijding nog niet helemaal verloren.

Mysterieus

Deze jeugdherinneringen geven aan dat een kerk voor een kind meer is dan een gewoon gebouw; en niet alleen voor een kind. De plaats waar je zondags onder het Woord zit, ervaar je ook op andere momenten als een gewijde ruimte.

En dat geldt niet alleen je eigen kerk. Als je in vakantietijd een bedehuis binnenloopt, houd je ook bij de deur de pas in om de verstilde ruimte op je te laten inwerken. Je praat met gedempte stem en schuifelt bedaard langs de ramen en door de paden. Want er hangt iets in de lucht, iets mysterieus, iets van heiligheid.

Als een oude kerk inmiddels aan de eredienst is onttrokken en nu dienst doet als sushirestaurant, markthal of bibliotheek, ervaar je toch een gevoel van ongemak. De ruimte wordt gebruikt voor iets anders dan waarvoor ze bedoeld was.

Het is nog niet zo makkelijk om te omschrijven waar dat gevoel precies uit bestaat en waar het op is gebaseerd. Het heeft te maken met geloofsbeleving en theologie. Maar net zo goed met emotie en sentiment. Helemaal als het gaat om imposante monumentale godshuizen. Daar lopen de ervaringen van sacraliteit en monumentaliteit dwars door elkaar.

Dat kwam goed naar voren bij de brand in de Notre-Dame. Iedereen was geschokt, gelovig en niet gelovig. Want iedereen voelde aan dat iets indrukwekkends verloren dreigde te gaan. Voor de een was dat een gewijd en heilig godshuis. Voor de ander een icoon van een stad, een land of zelfs de wereld. Voor een derde een prachtig monument waar dierbare herinneringen liggen.

Hoe lastig het ook is om de beleving van kerkgebouwen onder woorden te brengen, er zijn toch wel verschillende ‘richtingen’ aan te wijzen als het gaat om de theologische waardering –en dus ook beleving– van de plek waar de christelijke gemeente bijeenkomt. Enerzijds de variant van de kerk als gewijd godshuis (I). Anderzijds de visie dat de plek waar mensen samenkomen rond het Woord eigenlijk niet meer hoeft te zijn dan een praktische preekschuur (II). En daartussenin een breed spectrum aan ideeën en gevoelens waarbij de kerk aan de ene kant niet heilig genoemd wordt, maar aan de andere kant toch ook geen gewoon gebouw is (III).

I. Huis van God

Wie een rooms-katholieke kerk binnenstapt, komt in een sacrale ruimte. Dat ervaar je direct, door de schaarse verlichting, de geur van kaarsen en wierook, de altaren en beelden. Maar het is ook daadwerkelijk een gewijde plaats. Waar protestanten een kerk in gebruik nemen, kennen rooms-katholieken –en ook oud-katholieken en oosters-orthodoxen– de kerkwijding. Een ritueel waarbij de bisschop het altaar en diverse andere plekken met heilige olie zalft. Een wijdingsmoment dat jaarlijks als een hoogfeest wordt gevierd.

De wijding betekent onder andere dat de kerk alleen mag worden gebruikt voor zaken die niet strijdig zijn met de heiligheid van het gebouw. Gebeurt dat laatste onverhoopt toch, dan is er sprake van heiligschennis en moet de schending eerst middels een ritueel van boete ongedaan gemaakt worden.

Wanneer een kerk aan de eredienst wordt onttrokken, is het omgekeerde het geval. Dan moet de kerk eerst ontwijd worden, de zogenoemde desaffectatie door de bisschop. Alleen zo is het gebouw weer voor profaan gebruik geschikt.

In deze visie is de kerk een huis van God, ja zelfs een poort van de hemel. Dat staat vaak al boven de ingang, in het Latijn: ”Domus Dei et Porta Coeli”. En in de mis voor de kerkwijding heet het: „Ontzagwekkend is deze plaats: dit is het huis van God en de poort van de hemel, en zij zal genoemd worden Gods woning.” De gedachte is dat God Zelf fysiek in de kerk woont, namelijk op de plaats waar het heilig sacrament wordt bewaard: het sacramentshuis.

Daarom is de kerk voor de rooms-katholiek niet minder dan een afspiegeling van de hemel, waar alles van God moet spreken. En daarom is er ook zoveel aandacht voor pracht en praal en schoonheid. Voor de tempel van Salomo was immers ook het beste en mooiste niet goed genoeg?

II. Preekschuur

Helemaal aan de andere kant van het spectrum bevinden zich degenen die stellen dat de plek waar de gemeente samenkomt geen enkele betekenis heeft. Jezus Zelf zegt immers dat waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, Hij in het midden van hen zal zijn (Matth. 18:20)? Dat kan dus overal zijn: in een huiskamer, op de deel van een boerderij, aan de oever van de rivier zoals in Filippi (Hand. 16:13) of in het open veld zoals bij de hagenpreken.

Illustratief voor deze gedachte is wat ds. G. H. Kersten in 1930 zei bij de ingebruikname van de kerk van de gereformeerde gemeente van Krabbendijke: „Aan het uiterlijke hange onze ziele niet. De waarde van dit gebouw (...) ligt alleen hierin, dat het dient tot de prediking van de zuivere leer der zaligheid. (...) Want beter zou het zijn in een schapenhok om het Woord Gods, dan in een kerk van goud, waar de leer der Waarheid wordt verloochend.”

Het gaat er dus alleen om dat een gebouw praktisch en functioneel is, dienstbaar aan de verkondiging van het Woord. Vandaar dat met name in afgescheiden kring het type schuurkerk of preekschuur lange tijd –en op een aantal plaatsen nog steeds– volstond. Sober, ingetogen, bescheiden, zonder franje of overbodige symboliek.

Interessant is dat uitersten elkaar raken. Want deze visie op de plaats van samenkomst sluit naadloos aan bij de praktijk in evangelische kring. Daar is men vaak ook tevreden met het buurthuis of de sporthal. Het enige criterium is dat de ruimte een x-aantal mensen kan herbergen. Op het moment dat de stoelen staan opgesteld en een soort van podium voor band en spreker is gecreëerd, is de zaal geschikt voor een samenkomst. Een louter functionele visie op de kerkruimte.

III. Gewijd bedehuis?

Tussen deze uitersten bevindt zich een breed spectrum aan visies op en gevoelens over kerkgebouwen. Om dicht bij huis te blijven: in reformatorische kring zullen velen met de mond de waarheid belijden van wat ds. Kersten in 1930 zei. Maar in de praktijk hebben velen toch een tamelijk religieuze beleving bij hun kerk. Helemaal als die, zoals bij veel hervormden het geval is, al eeuwen op haar plaats staat en een schat aan geschiedenis herbergt. Maar ook veel afgescheiden godshuizen lijken niet meer op een schuurkerk of schapenhok. Een bedehuis moet inderdaad functioneel zijn –genoeg mensen kunnen herbergen, en de preekstoel centraal–, maar er is daarnaast wel degelijk ruimte voor de gedachte dat een kerk meer is dan een gewoon gebouw.

Architecten krijgen de vrije hand om voor een hersteld hervormde gemeente een historische dorpskerk in semigotische stijl te ontwerpen. Kunstenaars mogen ramen en doopvonten maken waarin symboliek en esthetiek een grote rol spelen. Orgelmakers bouwen instrumenten die de allure hebben van een 17e-eeuws stadsorgel. Het moet toch goed zijn? En het mag toch wel wat kosten? Niet zelden komen de namen van Bezaleël en Aholiab –bouwmeesters bij de tabernakel– en de heidense Hiram –betrokken bij de bouw van de tempel van Salomo– voorbij. Blijkbaar geeft het niet dat het daar over de oudtestamentische schaduwdienst gaat.

Ook de manier waarop over de kerk gesproken wordt is kenmerkend. We zijn op zondag in „het huis des Heeren”, in „Zijn woning” of in „Gods huis” bijeen. In de naamgeving komt eveneens meermalen tot uitdrukking dat we de kerk zien als plek waar de Heere woont: Immanuël, Bethel, Pniël. En wat te denken van sommige titels van jubileum- of kerkenboeken: ”Hoe lief’lijk zijn Uw woningen o HEERE der heirscharen”, ”Wanneer ik voor U kniel”, ”Zijn vuur- en haardstede” of ”Waar onze God Zijn woning houdt”.

In de beleving van het kerkgebouw komt dezelfde hoogachting naar voren. Illustratief is het verhaal van de man uit Barneveld die doordeweeks in de kerkzaal moest zijn en bij de deur z’n klompen uitdeed – „uit eerbied en achting voor de Heere.” Ook in de regelgeving rond het gebruik van het kerkgebouw komt die eerbied naar voren. Op veel plaatsen mogen koren of instrumentalisten doordeweeks geen uitvoering geven in de kerk (de gedachte lijkt te zijn dat de gewijde ruimte daardoor ontwijd wordt). En wordt er een schoolopening in een kerk gehouden, dan worden vrouwen en meisjes geacht een hoed op te zetten (blijkbaar is niet alleen de ambtelijke bediening van het Woord het criterium).

De voorzichtige conclusie lijkt gerechtvaardigd dat op veel plaatsen binnen de gereformeerde gezindte in theorie de schuurkerkgedachte wordt beleden, maar dat de praktijk vaak heel dicht komt bij de beleving van het kerkgebouw als gewijd bedehuis.

Oostkerk

Of dat laatste erg is? Het lijkt me in ieder geval goed als theorie –theologie– en praktijk met elkaar in overeenstemming zijn. En verder: de eigen geschiedenis leert dat ook in het verleden de visie op het kerkgebouw soms dichter bij de roomse ”Huis Gods”-gedachte kwam dan bij de 19e-eeuwse preekschuurvisie. Wie in Middelburg de Oostkerk binnenstapt –de eerste kerk die daar in de 17e eeuw gebouwd werd voor de protestantse eredienst; oudvader Smytegelt preekte er– wordt getroffen door de symboliek. Neem het achthoekige grondplan (de eeuwigheid), of het koepelgewelf (de hemel). En wie buiten bij de hoofdingang staat, ziet weliswaar niet het roomse ”Domus Dei et Porta Coeli”, maar wel boven de rechterdeur Prediker 4:17: „Bewaert uw voet als ghy ten huyse Godes ingaet.” En links Genesis 28:16: „Gewisselick is de Heere aen dese plaetse. Dit is niet dan een huys Godes ende dit is de poorte des hemels.” Nog duidelijker dan in het Latijn...